24 mei 2017

Waarom alles wat u over zout leerde, fout is

Wat de medische wetenschap de voorbije tweehonderd jaar over zoutconsumptie doceerde, leek niet meer dan logisch. Ons lichaam kan niet zonder zout, maar gaat dood door teveel zout. Natrium is een vitaal element en kan dus ook schadelijk zijn.


Aanname 1: Als je veel zout eet krijg je dorst en drink je meer water, wat zorgt voor de juiste verdunning van het bloed om de juiste concentratie natrium te bereiken. Het overtollige zout en water wordt in de urine uitgescheiden. Die theorie is intuïtief en simpel. En blijkt volledig fout te zijn, zo blijkt uit nieuw Duits-Russisch onderzoek dat recent gepubliceerd werd in The Journal of Clinical Investigation.


De studies betroffen Russische kosmonauten die tijdens een gesimuleerde ruimtereis in afzondering gehouden werden en die verschillende porties zout in hun dieet kregen. Een eerste algemene conclusie: meer zout maakt niet dorstiger maar wel hongeriger. Bij herhaling van het experiment op muizen bleek dat deze meer calorieën verbrandden toen ze meer zout aten en 25 procent meer moesten eten om op gewicht te blijven.


De research, die gepubliceerd werd in twee uitgebreide papers met begeleidend editoriaal in The Journal of Clinical Investigation, spreekt de gangbare overtuiging van hoe het lichaam met zout omgaat dus tegen. En de specialisten staan perplex.


Hoofdonderzoeker is Dr. Jens Titze, nierspecialist aan de Amerikaanse Vanderbilt University en verbonden aan het Medisch en Centrum en het Interdisciplinary Center for Clinical Research in Erlangen, Duistland. Zijn onderzoek begon in 1991, toen hij als student geneeskunde in Berlijn geïnteresseerd raakte in de menselijke fysiologie onder extreme omstandigheden.


Zijn hoogleraar was betrokken bij het Europese ruimtevaartprogramma en liet hem kennismaken met data van een gesimuleerde ruimtemissie van 28 dagen waarbij de bemanning in een kleine capsule opgesloten werd.


De opzet was een psychologische observatie, maar de onderzoekers maakten van de gelegenheid ook gebruik om de urine en andere fysiologische markers permanent te observeren. Dr. Titze merkte toen al op date r is geks aan de hand was: de urinevolumes gingen gedurende zeven dagen op en neer in een regelmatige cyclische beweging. En dat ging in tegen alle logica die hij aan de faculteit geleerd had: er mocht immers geen dergelijke tijdelijke cyclus voorkomen.


In 1994, besloot het Russische ruimteprogramma een simulatievlucht van een 135-dagen op te zetten. Ook nu slaagde Dr. Titze er in om het urine-afscheidingspatroon en de zoutinname van de kosmonauten te monitoren. Tot zijn verbazing correspondeerde het 28-dagenritme van de natriumwaarden niet met de geproduceerde hoeveelheid urine. En wat vooral verbaasde was dat de natriumwaarden meer geprononceerd waren dan de urinepatronen. Normaal gezien zouden de natriumwaarden gelijk moeten stijgen en dalen met het urinevolume. De studie was niet perfect, maar Titze's nieuwsgierigheid was gewekt. Hij begreep dat hij een "ketterij" zou gaan verkondigen. Vervolgonderzoek in gecontroleerde omstandigheden was dus nodig. Dat kwam er in 2006 toen de Russen twee volgende simulatievluchten opzetten van 105 en 520 dagen. Dr. Titze was weer van de partij.


Tijdens de korte simulatie kregen de kosmonauten een dieet dat gedurende 28 dagen 12 gram zout, vervolgens 9 gr en tenslotte 6 gr per dag bevatte. Tijdens de langere simulatie kregen ze een bijkomende cyclus van 12 gram per dag. Om te beginnen verkozen de kosmonauten het zoutrijke dieet. Oliver Knickel, 33, een Duitse kosmonaut, zei achteraf zelfs dat 12 gram per dag flauw was. Een dieet met 6 gram zou per dag was "smakeloos". Titze was niet verbaasd maar was wel geschokt toen bleek hij de resultaten bekeek van het uitgescheiden natrium, het urinevolume en de natriumwaarden in het bloed. De geheimzinnige cycli bleven zich manifesteren, maar alles leek volgens de handboeken te gaan. Als de bemanning meer zout at, scheidden ze meer zout af, het natriumgehalte in het bloed bleef constant en het urinevolume nam toe.


Maar het volume gedronken vloeistof nam af. Dus hoe meer zout de bemanning at, des te minder water werd er gedronken. De vraag was dus waar het uitgescheiden water vandaan kwam? De enige verklaring was dat het lichaam zichzelf meer water onttrok naarmate de inname van zout toenam. Een tweede vraag was waarom de bemanning klaagde over een hongergevoel bij een dieet met een hoger zoutgehalte. De rantsoenen waren nochtans dezelfde en er waren geen klachten bij een lager zoutgehalte. Uit de urinetesten bleek echter dat de bemanning meer glucocorticoïde hormonen afscheidde, die invloed hebben op het metabolisme en de immuunfunctie.


Dr. Titze zette een simulatie op met proefmuizen. Ook daaruit bleek dat hoe meer zout de dieren toegediend kregen des te minder water ze dronken. Maar hun urineafscheiding bleef op hetzelfde niveau. Het water moest dus ergens vandaan komen. Toen bleek dat de glucocorticoiden het vet en het spierweefsel afbraken en het vrijgekomen water afgescheiden werd. Dat kost uiteraard energie. Vandaar dat de" muizen tot 25% meer aten bij een meer gezouten dieet. De hormonen zijn ook mogelijk de oorzaak van de vreemde schommelingen in urine volume op lange termijn.


Mensen doen dus wat kamelen doen, schrijft Dr. Mark Zeidel, een neforloog van de Harvard Medical School, in een begeleidend editoriaal. Een kameel in de woestijn die geen water te drinken heeft krijgt fabriceert water door het afbreken van het vet in zijn bult.


Aanname 2 die op de helling staat: meer zout betekent geen gewichtstoename maar integendeel gewichtsafname.


Voor de goede orde: Dr. Titze adviseert géén zoutrijk dieet als vermageringskuur. Overigens leiden hoge glucocorticoide waarden tot osteoporose, spierafbraak, diabetes type 2 en andere metabole problemen.


"Dit is gewoon zeer fascinerend," zei Dr. Melanie Hoenig, van de Harvard Medical School. "Het onderzoek werd uiterst nauwkeurig gedaan. Het maakt duidelijk dat we het effect van natriumchloride op het lichaam niet echt begrijpen. Deze effecten kunnen veel complexer zijn dan de relatief eenvoudige natuurwetten op basis van druk en deeltjes." Zij en anderen zijn er nu in elk geval van overtuigd dat zoutrijke diëten de bloeddruk bij gezonde mensen niet kunnen verhogen. Maar ik vermoed ook dat als het gaat om de negatieve gevolgen van een hoog natriuminname, we het juist voorhebben omwille van alle mogelijke verkeerde redenen."


Meer info:
https://www.jci.org/articles/view/88530 en https://www.jci.org/articles/view/88532

Marc van Impe

Bron: MediQuality

12:14 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

10 mei 2017

1 op 3 afgestane organen is niet geschikt voor transplantatie

 

Iets meer dan een derde van de gedoneerde harten en longen in België wordt niet gebruikt. Het gaat over organen die artsen niet geschikt vinden voor transplantatie. Daarnaast weigeren 1 op de 10 families organen van hun geliefde af te staan na overlijden, ondanks een vooruitstrevende wetgeving, schrijft Katrien Verbeke op Apache.


Momenteel wachten 1.217 mensen op een geschikt orgaan. De grootste groep wacht op een nieuwe nier. Maar omwille van medische en/of technische redenen worden organen in België geregeld afgekeurd. "In 33% van de gevallen krijgt een hart uiteindelijk geen ontvanger. En ook 34% van de longen, 21% van de levers en 13% van de nieren, wordt niet gebruikt. Uitschieter is de pancreas, een erg gevoelig orgaan. Daarvan kunnen artsen slechts 17% gebruiken en gaat 83% verloren", zegt Luc Colenbie, transplantatiecoördinator van het universitair ziekenhuis in Gent en expert bij de FOD Volksgezondheid.


De reden daarvoor is vooral medisch van aard. Het orgaan voldoet dan niet aan de kwaliteitsvoorwaarden. Ook de urgentie is een belangrijke factor. Er is ook een maatschappelijke verklaring. De inspanningen van de overheid om het aantal verkeersslachtoffers te doen dalen, werkt. Daardoor zijn er minder jonge donoren, waardoor de gemiddelde leeftijd van een orgaandonor stijgt naar 56 jaar, veelal na een hartstilstand of hersenbloeding. Ook de organen die in de database terechtkomen, zijn dus ouder. Artsen kunnen dan wel het hart weigeren, de nieren van diezelfde persoon zijn vaak wel nog bruikbaar.


"Tegenwoordig kunnen we organen die vroeger afgekeurd zouden worden op basis van leeftijd, toch nog transplanteren", zegt Colenbie. "Dat zorgt voor een belangrijke shift. We selecteren nu op basis van de kwaliteit van het orgaan, ook al was de persoon al wat ouder. De oudste donor in 2015 was 90 jaar." De technische vooruitgang zal de verliespercentages doen zakken, maar alle organen recupereren lukt nooit.


"Momenteel gebruiken we de perfusietechniek enkel voor nieren. In de toekomst moet dat ook mogelijk zijn voor de andere organen", zegt Colenbie. Dat zal de verliespercentages volgens de expert doen zakken, maar alle organen recupereren zal volgens de expert nooit lukken.


België behoort op vlak van orgaandonatie bij de top van Europa. We bevinden ons op de tweede plaats, na een verrassende winnaar: Kroatië. Het succes van België is grotendeels te verklaren omdat we een zeer hoog aantal donoren hebben per miljoen inwoners. Dat komt door onze vooruitstrevende wetgeving, die voorschrijft dat iedereen in principe donor is, tenzij iemand expliciet laat registreren geen donor te willen zijn. Toch kan het nog beter. "We kunnen het tekort aan donors nog meer terugdringen door te sensibiliseren", weet Lauwereys. "Veel geschikte donoren komen niet in de database terecht omdat familieleden weigeren om de organen van hun geliefde af te staan." Dat gebeurt in 12% van de gevallen.Vaak omwille van religieuze overtuigingen. Ze gaan er volgens Lauwereys van uit dat het wel niet zal mogen, terwijl dat vaak niet klopt.

Marc van Impe

Bron: MediQuality

10:00 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

09 mei 2017

Ontsmetten volstaat niet



Elk jaar lopen 7.600 Belgen in het ziekenhuis een sepsis op, die niet zelden dodelijk eindigt, meldden de media vandaag. Maar de werkelijkheid is nog veel ernstiger, zegt Lorna Payne, directeur van OneLife, een innovatief bedrijf uit Louvain-la-Neuve.


Jaarlijks loopt 6% van de Belgen tijdens hun verblijf in een ziekenhuis een infectie op. Dat zijn 125.000 patiënten per jaar. Om en bij de 2.600 patiënten overlijden aan de gevolgen. De meerkost van dat alles bedraagt 400 miljoen per jaar. En dan komt de klap op de vuurpijl: 65% tot 80% van deze infecties hadden vermeden kunnen worden, want ze zijn niet alleen het gevolg van het feit dat veel verpleegkundigen en artsen zich niet houden aan de voorzorgsmaatregelen, maar ook omdat de manier van desinfecteren inefficiënt is.


Tot 80% van de infecties is gelieerd aan de biofilm die bacteriën afschermt en die op zowat elk apparaat, van operatiezaal tot poortkatheter aanwezig is. Die biofilm wordt niet afgebroken door de klassieke desifectans. OneLife dat nu al samenwerkt met de klinieken van de UCL en KULeuven, OLV Aalst, UZ Gent, CHU Liège, en de CHU van Clermont-ferrant en Chambéry, is een spin-out van Realco een start-up die gespecialiserd is in de ontwikkeling van enzymen die de biofilm afbreken. Het product Biofilmlysis dat in de eerste plaats voor de voedingsindustrie werd ontwikkeld blijkt in zijn medische versie even efficiënt. Lorna Payne: " Het enzym doorbreekt de keten polysacharides die de kolonie bacteriën beschermt en is op zichzelf geen desinfectans. Het is echter veel efficiënter dan zeep en veel eologischer in zijn gebruik.


In veel gevallen gebeurt de infectie bij de plaatsing van een katheter, en zou die vermeden kunnen worden door hygiënischer te werken, zegt het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV). Het WIV heeft weet van meer dan 7.600 bloedstroominfecties die patiënten vorig jaar in Belgische ziekenhuizen opliepen. Dat cijfer is nog een onderschatting van het totale aantal, want lang niet alle ziekenhuizen melden het hele jaar door hun gevallen. Dat is maar gedurende drie maanden verplicht. Bovendien lijden de zieken huizen ook hier aan de Belgische ziekte: vooral in Franstalige ziekenhuizen neemt men het niet te nauw met de verzameling van data.


Uit de analyse van het WIV blijkt dat zo'n 40 procent van de bloedstroominfecties te wijten is aan de plaatsing van een katheter in een groot bloedvat of de urinebuis, of het inbrengen van een canule in de long. Maar ook het gebruik van endoscopen betekent een groot risico, zo blijkt uit onderzoek van OneLife. Tot en met de afvoeren van de wastafels betekenen een potentiële infectiebron.


"Er is veel marge voor verbetering", zegt Els Duysburgh, onderzoekster bij het WIV. "‘Er bestaan grote verschillen tussen de ziekenhuizen en het risico om er als patiënt een bloedstroomstroominfectie op te lopen. Dat wijst erop dat in sommige ziekenhuizen hygiëne hoog op de agenda staat en in andere niet." In een recente internationale bevraging zei maar 32 procent van het Belgische ziekenhuispersoneel, alle voorgeschreven voorzorgsmaatregelen in acht te nemen bij de plaatsing van een katheter. Welke ziekenhuizen in ons land het goed of slecht doen, maakt het WIV niet bekend. De Vlaamse ziekenhuizen werken nu al aan kwaliteitsindicatoren die volgend jaar een eerste resultaat moeten opleveren.
www.onelife-bf.com

Marc van Impe


Bron: MediQuality

09:51 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende