01 oktober 2012

Die heerlijke onzekerheid

Hij is Catalaan, zeg ik, geen Spanjaard. Een receptie op een nazomerse avond ter gelegenheid van de 65ste verjaardag van een hoge ziekenfondsbobo die op bescheiden manier daarvoor gebruik maakte van het Tervurense koloniaal museum. Denk je misschien dat je alles zoveel beter weet, vraagt hij gepikeerd. Ik weet dat ik hem vaak op de zenuwen werk. Hij is van het autoritaire type, een man die zijn gebrek aan zelfvertrouwen verbergt achter een façade van breedsprakigheid. Voor zijn patiënten is hij een halfgod, voor zijn collega’s een blaaskaak, voor de verpleegsters een hitsig opdondertje. Vroeger zou hij een celluloid boordje gedragen hebben en een pince-nez. Nu draagt hij shirts van Saint Laurent en een designbril met een verdiepinkje. Op de lokvergaderingen voert hij het hoge woord, hij kiest de wijn, geeft commentaar op de ober en op het eten en elders, waar de rekening door een andere firma betaald werd, was het eten zoveel beter. Hij leest geen boeken, daar “doet” hij niet aan. Maar hij pendelt elk weekend naar Knokke waar hij langs de weg elke radarverklikker weet staan. Bij Aalter staan ze net achter de brug weet hij, honderd meter voorbij de paal staat een mobiele eenheid. Hij klaagt graag over zijn schouder: drie uur getennist met dinges, je kent hem wel, die Marc tegen Coucke mag zeggen. Hij kent elke naam ook al schud je hem ter plekke zo uit je mouw en zal je er nog een citaat bijgeven ook. Uiteraard stemt hij radicaal, want het is nu wel genoeg geweest. En zijn A8 is de beste wagen die er is. Zijn vrouw is van het betere maatwerk. Discreet, zoals ze zeggen, met een  diepe blik die mensen die aan een bodemloze domheid lijden, kenmerkt. Zelf zegt ze dat ze bij de culturele elite hoort. Maar opera daar houdt ze niet echt van, dat vindt ze zo luid. Ze is wel op musicals.  Ach, zeg ik. Ik denk af en toe eens na, ik ben niet bij die mensen die behoefte hebben aan grote zekerheden en aan verklaringen. Ik hou het liever bij de waarheid. “Het kenmerk van de intelligentie is de onzekerheid. Het tasten is mijn gereedschap.” Dat is van Henry de Montherlant, zeg ik. Hij gnuift. Monterland, zegt hij. Hij heeft er waarschijnlijk vorige week nog een breezer mee gedronken op de surfclub.

 

Marc van Impe

18:00 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

15 februari 2012

Gered

Ik lig op de bank en luister naar de oude nieuwe Pink Floyd: Wish you were here schalt door de boxen. Buiten dooit het. En plots schiet het door mijn hoofd dat ik bijna dag op dag hier bijna nooit meer was. Het leven hangt letterlijk aan elkaar van toevalligheden en in mijn geval van de hand van de geleerde vrouw. Dat komt zo! We waren in Leiden waar we als welopgevoede lieden de Boerhave-cursus gevolgd hadden. Ik deed op dat moment pas mijn eerste stappen in de neurologie en MRI en dat soort zaken waren dingen waarvan de toenmalige minister van Volksgezondheid vond dat ze dure en overbodige luxe waren en dus zeker niet in een banaal perifeer kliniekje thuishoorden. In Leiden werd ik geïntroduceerd in de heuristiek van het hersenonderzoek. Maar daarover gaat deze column niet. ’s Avonds gingen we stappen en overmoedig geworden door de inname van enige geestige Hollandse vochten besloten we over de dichtgevroren grachten naar onze wagen te lopen.

Ik zette als eerste van ons zeer geleerde gezelschap een voet op het ijs, toen een tweede, en stapte zingend de grachtspiegel op. De geleerde vrouw volgde op het trapje. En toen zakte ik door het ijs. Ik was sprakeloos, wat een eeuwigheid scheen te duren voor het ijskoude water mijn middel bereikt had. Toen stak ze haar hand uit. Ik greep naar het leven en zij trok me aan de kant. De andere geleerden waren ondertussen weggevlucht. Ik stond zeiknat in -11. Zo reden we terug naar Haarlem waar we voor de nacht gelogeerd waren. Tegen we in Klein Heiligland aan kwamen was mijn onderste lichaamsdeel al weer aanspreekbaar. Zij had de hele weg geen woord gezegd. “Je had wel verzopen kunnen zijn,” zei ze toen we uitstapten, “gelukkig stak je je hand uit.” “Jij stak je hand uit,” zei ik. “Alsof ik je gered heb,” zei ze, “ je wordt niet gered als je dat niet wil. ”  Later zei ze: “ Wie wil verder leven moet wel zijn verantwoordelijkheid opnemen.” Ik droom de scène nu nog. Dat zou niet de laatste keer zijn dat ze dit deed. Ik moest hieraan ook denken toen ik een ziekenfondsarts voor de zoveelste maal hoorde zeuren over het fenomeen van de patiënt die niet wil geholpen worden. En de parabel van de uitgestoken hand.

Marc van Impe

12:55 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)