09 maart 2017

Leuvense peer reviewer zet American Psychological Association voor schut



Een Leuvense psycholoog heeft een rel ontketend in internationale wetenschappelijke kringen. Gert Storms deed peer review voor de Journal of Experimental Psychology, een blad van de gerenommeerde American Psychological Association (APA). Maar hij wil dat niet meer doen als hij geen inzage krijgt in alle onderzoeksgegevens.


Daarop vroeg het tijdschrift hem om ontslag te nemen. Storms houdt het been stijf: "Je koopt toch ook geen tweedehandsauto als je niet onder de motorkap mag kijken?" Gert Storms begrijpt dan ook niet dat de hoofdredactie ermee instemt dat auteurs niet al hun onderzoeksgegevens moeten bekendmaken.


"Ik heb geen flauw idee waarom dat niet kan, ik begrijp de logica erachter totaal niet", zei Storms op Radio 1. "Er kunnen goede redenen zijn om data niet vrij te geven. Maar soms hebben wetenschappers wél iets te verbergen." Zo weigerden onderzoekers van de Londense Queen Mary University of London (QMUL) en King's College (KCL) de dataset van het zogenaamde PACE-report vrij te geven.


Het Britse PACE-onderzoek was een met publieke middelen gefinancierde Britse studie van vijf miljoen pond waarvan de auteurs claimden dat het aantoonde dat graded excercise (GET) en cognitieve gedragstherapie (CBT) een gunstige uitwerking hadden op patiënten met ME/CVS. De uitkomst van het onderzoek werd omwille van de gevolgde methodologie en de manipulatie van data van meet af aan achtervolgd door controverse en de auteurs ervan hebben herhaaldelijk geweigerd onbewerkte data van de studie te verstrekken die een onafhankelijk onderzoek naar de bevindingen ervan mogelijk zouden maken.


Het rapport werd gepubliceerd in The Lancet, Psychological Medicine, en Lancet Psychiatry. QMUL en King's College weigerden en zeiden dat de onderzoekers zich geïntimideerd voelden en dat "zij zich terecht zorgen maakten dat ze zouden worden blootgesteld aan openbare kritiek en reputatieschade." Professor Ross Anderson, QMUL's woordvoerder, zei dat "jongelui, borderline sociopaten en psychopaten" een gevaar betekenden voor de wetenschappers en de patiënten die aan het onderzoek hadden deelgenomen. De rechtbank veegde al die argumenten van tafel.


In Nederland was er de affaire rond Diederik Stapel, een gerespecteerd Nederlandse psycholoog die zijn onderzoeken opleukte met zelfverzonnen gegevens. Zijn ontmaskering joeg een schokgolf door de wetenschap. Maar de controle op wetenschappelijk onderzoek schiet nog altijd tekort, vinden veel wetenschappers. En het gaat niet alleen over psychologie, benadrukt Storms. "Het gaat om de wetenschap in het algemeen. Ook bijvoorbeeld over geneeskunde of sociologie."


Er is dan ook een groeiende beweging voor meer transparantie in de wetenschap. Op 1 januari van dit jaar ging het Peer Reviewers' Openness Initiative van start. De wetenschappers die dit initiatief onderschrijven - waaronder Storms - weigeren nog publicaties te beoordelen waarvan ze niet alle data kennen. Het conflict met de APA lokt dan ook heel wat reacties uit. Het tijdschrift Nature schreef er onder andere over. En dat merkt Storms: "Ik heb de voorbije dagen al een paar honderd mails gekregen vanuit heel de wereld, van mensen uit verschillende disciplines. Ik krijg veel bemoedigende reacties. Maar het gaat niet om mij. Het gaat om het principe: die openheid moet er komen. Hopelijk verandert er nu iets."


Bron: VRT,

http://www.informationtribunal.gov.uk/DBFiles/Decision/i1... .


Tweede referentie: http://www.nature.com/news/peer-review-activists-push-psy...


Marc van Impe

Bron: MediQuality

 

10:18 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

27 september 2016

Nederlandse patiënten leggen klacht neer tegen academici

Medische wetenschappers kunnen nu (in Nederland) vervolgd worden voor dwalingen die verregaande sociale, economische en politieke gevolgen hebben. Lou Corsius, vader van een Nederlandse ME-patiënte, diende eind april een formele klacht in bij de commissie “Wetenschappelijke integriteit” in Nijmegen tegen de dokters H. Knoop en G. Bleijenberg.

Dat deed hij n.a.v. hun artikel uit 2011 "Chronic fatigue syndrome: where to pace from here?", waarin zij commentaar gaven op de publicatie over de PACE-trial in The Lancet en stelden dat CGT en GET veilig zijn en bij 30% van de patiënten tot herstel van CVS leiden. De klacht werd ontvankelijk verklaard op 8 juli ll.

Het Britse PACE-onderzoek was een met publieke middelen gefinancierde Britse studie van vijf miljoen pond waarvan de auteurs claimden dat het aantoonde dat graded excercise (GET) en cognitieve gedragstherapie (CBT) een gunstige uitwerking hadden op patiënten met ME/CVS. De uitkomst van het onderzoek werd omwille van de gevolgde methodologie en de manipulatie van data van meet af aan achtervolgd door controverse en de auteurs ervan hebben herhaaldelijk geweigerd onbewerkte data van de studie te verstrekken die een onafhankelijk onderzoek naar de bevindingen ervan mogelijk zouden maken. Het rapport werd gepubliceerd in The Lancet, Psychological Medicine, en Lancet Psychiatry. Nu blijken zowel de NHS als de Amerikaanse toezichthouder op therapeutisch beleid Agency for Healthcare Research and Quality (AHRQ) cognitieve gedragstherapie en graded excercise afgewaardeerd als behandeling voor ME/CVS patiënten. Bovendien blijkt uit academisch onderzoek dat de data van de Pace Trial positief gemanipuleerd werden.

Op 23 september vond de hoorzitting plaats in de Radboud Universiteit van Nijmegen waarbij de eis geformuleerd werd voornoemd artikel in te trekken en afstand te nemen van de conclusies. De hoogleraren Bleijenberg en Knoop kregen van de commissie drie weken de tijd om schriftelijk te reageren op 21 argumenten/observaties m.b.t. omstreden effectiviteitclaim van gedragstherapie en oefentherapie voor CVS.

De professor emeritus en de universitair hoofddocent zijn twee boegbeelden van het Nederlands Kenniscentrum Chronische Vermoeidheid (NKCV) en bepalen sinds jaar en dag het officiële standpunt. Het Nederlands Kenniscentrum Chronische Vermoeidheid (NKCV), dat door vele artsen en journalisten als de autoriteit op dit gebied beschouwd wordt, stelt al jaren dat gedragstherapie (CGT) en progressieve oefentherapie (GET) bewezen effectief zijn voor CVS, een standpunt dat gretig overgenomen werd door de Belgische ziekenfondsen en het Riziv. Dat terwijl ME- en CVS-patiënten stellen dat cognitieve gedragstherapie (CGT) en progressieve oefentherapie/revalidatietherapie (GET) ineffectief en mogelijk schadelijk zijn, een standpunt dat nu gevolgd wordt door onderzoekers van o.a. Stanford, Miami State en Harvard. Een gedegen inhoudelijke analyse van de methoden en uitkomsten van de PACE-trial toont aan dat de PACE-trial geen betrekking heeft op CVS, laat staan ME, maar op een heterogene groep mensen met ‘chronische vermoeidheid', dat CGT en GET niet effectief zijn, zeker niet op lange termijn, en dat getuige de gepubliceerde uitkomsten vraagtekens gezet mogen worden bij de ‘bijwerkingen' van CGT en GET.

De onderzoekers van het NKCV en hun ‘geloofsgenoten', die een zeer zwaar stempel hebben gedrukt op de adviezen van de Gezondheidsraad (2005, 2007 en 2013), zijn wederom sterk vertegenwoordigd in de omstreden Gezondheidsraadscommissie die momenteel onderzoek doet naar ‘ME' naar aanleiding van een burgerinitiatief. Die Gezondheidsraad-adviezen domineren het medisch beleid m.b.t. ME en CVS. De aangeklaagde auteurs tonen met het betreffende artikel en andere publicaties aan een vooringenomen ‘wetenschappelijke' visie te hebben op ME (Myalgische  Encefalomyelitis) en CVS (chronisch vermoeidheidssyndroom) en de ‘succesvolle behandeling' ervan. Herhaaldelijk is gebleken dat ME en CVS gepaard gaan met zeer ernstige medische afwijkingen en dat het (bio)psychosociale ‘verklaringsmodel' onhoudbaar is , zeggen de twee klagers die zelf academisch geschoold zijn: Drs. Lou Corsius, vader van een dochter die al 15 jaar ME-patiënt is, heeft de klacht ingediend. Frank Twisk MBA MBI BEd BEc, sinds 1997 patiënt, is pleitbezorger voor patiënten en auteur van meer dan 25 wetenschappelijke artikelen over ME, CVS, CGT en GET.

De klacht aan de Radboud Universiteit van de vader van een ME-patiënt werd op 8 juli jl. ontvankelijk verklaard door de Commissie Wetenschappelijke Integriteit. Na het wetenschappelijk proces kan een burgerlijk proces volgen waarbij schadevergoeding geëist wordt.

Marc van Impe

Bron: MediQuality


Meer info ?

Ziehier de klacht van Lou Corsius: https://corsius.wordpress.com/2016/04/30/brief-aan-colleg...

En een verslag van Lou van 24.09.16: https://corsius.wordpress.com/2016/09/24/burgers-binden-s...

En het verslag van Frank Twisk: http://www.hetalternatief.org/CGT%20GET%20PACE%20Editoria...

Meer referenties ?

Het artikel van Bleijenberg G, Knoop H. Chronic fatigue syndrome: where to PACE from here?Lancet. 2011 Mar 5; 377(9768):786-788. doi: 10.1016/S0140-6736(11)60172-4.
De Pace Trial: White PD, Goldsmith KA, Johnson AL, Potts L, Walwyn R, DeCesare JC, et al. Comparison of adaptive pacing therapy, cognitive behaviour therapy, graded exercise therapy, and specialist medical care for chronic fatigue syndrome (PACE): a randomised trial. Lancet. 2011 Mar 5; 377(9768):823-836. PMID:21334061. doi: 10.1016/S0140-6736(11)60096-2.

 

08:38 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

21 maart 2012

Terug naar de toekomst

Terug naar de toekomst: Dit schreven we in 2006:

  

Eindconclusies met betrekking tot de referentiecentra die volwassen CVS-patiënten behandelen

 

Het RIZIV heeft zelf heel wat kritiek op de wijze van verzameling van gegevens door de referentiecentra. Daarover zo dadelijk meer.

 

Van bij de opzet was het werk van de referentiecentra tot mislukken gedoemd: er werd gekozen voor een eenzijdige behandeling in alle centra met CGT en GET, omdat dit zogenaamd de enige evidence based therapy zou zijn. Gemakkelijkshalve vergat men dat deze EBT enkel gebaseerd was op het aantal gepubliceerde artikelen in een beperkt aantal tijdschriften van steeds dezelfde auteurs die elkaar bevestigden. Een metastudie zou uitgewezen hebben dat het in feite ging om een uiterst klein aantal onderzoeken (9) waarvan de resultaten telkens opnieuw hinein geinterpreteerd werden.

 

Bovendien bleken niet alle centra , op Leuven na, kennis te hebben van het toepassen van CGT en GET.

 

Uit de inventaris die de Dienst heeft opgesteld op basis van de antwoorden van de centra blijkt dat er met betrekking tot de inhoud en het verloop van de tenlastenemingen ook verschillen bestaan tussen de centra, die  onder meer verband houden met de criteria die de centra hanteren voor de selectie van de patiënten, het specifieke revalidatieprogramma en de inhoud ervan.

 

Zo zijn er tal van methodologische beperkingen die te wijten zijn aan het gebrek aan  kwaliteit van de geregistreerde gegevens. Uit het rapport: “Er kunnen enkele methodologische kanttekeningen geplaatst worden waarmee rekening gehouden moet worden bij de interpretatie van de gegevens.

 

Ten tweede schort er wat aan de onderlinge vergelijkbaarheid van de gegevens van de verschillende centra die “in zekere mate verstoord is doordat elk centrum apart voor zijn eigen patiënten de parameters registreert.”

 

Ten derde werden soms door bepaalde centra voor relatief grote aantallen patiënten onderzoeken die conform de afgesloten revalidatie-overeenkomsten verplicht moesten afgenomen worden, niet gedaan . M.a.w. de centra hebben gehandeld naar eigen goeddunken en niet wetenschappelijk.

 

Een zwakte van dit pilootproject is zeker dat er, voor de evaluatie van het effect van de revalidatie, geen controlegroep van patiënten voorzien werd. Een dergelijk opzet zou toegelaten hebben om op basis van de evaluatie meer gefundeerde conclusies te formuleren over het effect van de specifieke interdisciplinaire revalidatie in de centra (door hun evolutie te vergelijken met die van de controlegroep).

 

Een andere methodologische beperking tenslotte heeft betrekking op de verwerking van de gegevens. Deze verschillen tussen de centra bemoeilijken soms de interpretatie van de gegevens.

 

Ook is er kritiek op de methode van statistische verwerking van de gegevens niet alleen omdat de meetmomenten van centrum tot centrum verschillen, maar ook binnen de centra zelf verschillende meetmomenten gehanteerd werden.

 

 

Uit het rapport: “De centra hebben hun conventionele capaciteit dus zeker niet ten volle benut.”

Van de 3 000 patiënten die wel verwezen zijn naar de centra heeft tot en met eind 2004 slechts 54% een vorm van begeleiding genoten in de centra.

Volgens de capaciteiten die vastgesteld zijn in de overeenkomsten, hadden de centra van 1 april 2002 tot en met 30 juni 2005 samen normaal 1.205 en maximaal 1.903 volledige revalidatieprogramma’s kunnen verstrekken. Maar op 31 december 2004 waren er slechts 601 specifieke interdisciplinaire revalidatieprogramma’s afgerond (op 785 aangevangen programma’s).

 

In sommige centra lijkt de behandelingscapaciteit onvoldoende te zijn. Dringt een uitbreiding of een herverdeling van de middelen zich dan op? Andere centra realiseren namelijk ook in 2005 nog steeds slechts de helft van hun normale bezettingsgraad en zijn daardoor ernstig financieel verlieslatend. Het personeelskader dat vergoed wordt via de overeenkomsten moet krachtens de bepalingen van de overeenkomst namelijk steeds (onafhankelijk van de bezettingsgraad) volledig ingezet worden voor de activiteiten van de overeenkomsten waarvan de onkosten vergoed worden via de overeenkomsten. Een normale bezettingsgraad (van 100%) is noodzakelijk om kostendekkend te werken. Doordat elk centrum werkt met een gesloten enveloppe (die enkel door het centrum in kwestie besteed kan worden) en sommige centra slechts een heel beperkte bezettingsgraad realiseren, blijft een belangrijk deel van het budget dat vrijgemaakt werd om beter tegemoet te komen aan de hoge onkosten voor geneeskundige verzorging van de CVS-patiënten, ook onbesteed.

 

Verschillende centra zijn traag opgestart en hebben misschien in aanvang een reserve van patiënten opgebouwd die ze nadien niet meer hebben kunnen wegwerken. Hoe kunnen deze centra hun wachtlijsten (van soms meer dan 600 verwezen maar nog niet begeleide patiënten) ooit nog wegwerken als in de toekomst ook nog nieuwe patiënten verwezen worden en hun capaciteit op jaarbasis beperkt is tot minder dan 100 volledige behandelingen?

 

De overeenkomst werd afgesloten met vijf Universitaire ziekenhuizen. In de veronderstelling dat de prevalentie van CVS in België gelijkmatig verspreid is van regio tot regio, blijkt uit de evaluatie dat de centra onvoldoende toegankelijk zijn voor (fysiek vaak ernstig geïnvalideerde) patiënten die woonachtig zijn in regio’s waar geen centra gevestigd zijn.

De erkenning als CVS-referentiecentrum werd oorspronkelijk beperkt tot centra die verbonden zijn aan een Universiteit omdat de kennis over dit syndroom en de behandeling ervan nog vooral beperkt was tot de meer academische milieus. De overeenkomst werd afgesloten met al de geïnteresseerde centra die aan deze voorwaarde (en ook aan de andere criteria van de overeenkomst) voldeden.

 

Sinds de start van de overeenkomsten hebben een aantal kandidaten uit de provincies West-Vlaanderen, Brussel en Antwerpen interesse getoond om de overeenkomst eveneens af te sluiten. Indien men de erkenning van de centra niet langer zou beperken tot enkel de universitaire centra zal dit de patiëntenstroom bevorderen en de bereikbaarheid van de centra voor de patiënten vergroten.

Het is wel niet duidelijk in welke mate andere (niet-universitaire) ziekenhuizen ondertussen wel een voldoende wetenschappelijk onderbouwde expertise verworven hebben over de CVSaandoening. Misschien kan er een netwerking worden uitgebouwd waarbij centra die (door de overeenkomst) reeds beschikken over een grote expertise inzake CVS, samenwerken met andere centra (die vooralsnog geen referentiecentrum zijn)?

 

De centra zijn er dus niet echt in geslaagd om de hoopvolle resultaten uit de evidence based onderzoeken met cognitieve gedragstherapie of progressieve fysieke revalidatie (de behandelingsvormen die obligaat deel uitmaken van het specifiek interdisciplinair revalidatieprogramma van de centra) over te doen in de klinische praktijk. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat sommige onderzoekers van mening zijn dat bevindingen uit gecontroleerd onderzoek niet zomaar geëxtrapoleerd kunnen worden naar de klinische praktijk, onder andere omdat de patiënten in die gecontroleerde onderzoeken dikwijls een geselecteerde, minder zware populatie vormen. Om die redenen menen deze onderzoekers dat in de klinische praktijk een langer durende behandeling vereist is (dan in de gecontroleerde onderzoeken) om tot een substantiële verbetering te komen.

De centra zijn wel vragende partij om tot een – naar inhoud en organisatie van de behandelingen – meer gediversifieerd aanbod te komen (zonder dat de evidence based piste verlaten wordt).

 

Het CVS Platform is het met die aanpak absoluut oneens en vraagt dat de toestand op het wetenschappelijk veld opnieuw geëvalueerd wordt en dat rekening gehouden wordt met de state of the art van het onderzoek en niet langer met een EB theorie die dateert uit het eind van de jaren ’90. Tenslotte blijkt uit dit onderzoek dat slechts 6 % van de patiënten enige verbetering meldden. Dat is 3 % minder dan het palcebo-effect waarmee in een studie rekening moet gehouden worden. Het resultaat is dus nihil.

15:01 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)