24 februari 2013

De kunst van het slecht nieuws

Het is de tijd van het slechte nieuws. Voorjaar: of ze vallen als vliegen of ze staan op hun benen te trillen. Mijn kennissen, collega’s van ooit geleden, mijn verre familie. En ik word er wel mee geconfronteerd. Meer dan de anderen. Die krijgen een glas wijn, een whisky, een flard roddel. Ik krijg de vragen. Want ik heb toch een geleerde vrouw wiens kennis op mij moet afstralen? De vraag is  hoeveel eerlijkheid er gewenst is tijdens die slechtnieuwsgesprekken. Ik hoef niet meneer madam de  doktoor te zijn om te weten wanneer geen genezing meer mogelijk is. Ik hoef daarvoor geen  supersnel analysetraject. Sommige dingen zijn zo meteen duidelijk, hier is geen genezing meer mogelijk, er zijn uitzaaiingen op afstand: in de botten, de lever of in de longen. Raar dat de artsen dan in verkleinwoordjes gaan spreken. Dat wordt niet geapprecieerd. Patiënten willen meer weten wat kan en niet langer kan. Wat aan de orde moet komen is wat er nog wel mogelijk is en tegen welke 'prijs'. Wat me de voorbije jaren steeds vaker treft is dat de patiënt wil weten wat de gemiddelde overlevingswinst is met de voorgestelde chemotherapie, vergeleken met enkel palliatieve zorg. Vaak gaat het over een paar weken, een maand of twee, hooguit. Zoals ergens een arts  schreef: 'Ik denk erover om de overlevingswinst in uren uit te gaan drukken, dan klinkt het tenminste wat langer'. Dat vind ik een zinnige gedachte, bedenk ik, terwijl ik een mooi papiertje zoek voor weer eens een fles die uit mijn kelder naar een doodzieke medemens verhuist. Want het is weer zover. Een man, 58, Europees ambtenaar, 40 packyears tabak er doorheen gejaagd. Drie jaar geleden gestopt met roken. Sappen en groenten en vezels en sport. Groot longcarninoom, uitzaaiingen in een rib en in de bekkenkam.  2 kinderen van 28 en 20 jaar. Net opa geworden. Had nog een leuke vakantie gepland. Straks alles kwijt.  Ongeloof, woede, oneerlijk behandeld, wil second opinion. Hij vraagt: “Maar ik word toch wel beter?” Zijn vrouw had gebeld: “Wil je hem asjeblief geen hoop meer geven? Geef hem rust.” Dan vertel ik  een verhaal.
Marc van Impe

Over Diagnose stellen en slecht nieuws brengen geeft Prof. Dr. F. Eyskens, van het UZ Antwerpen, een lezing op de BOKS Info dag  op 2 maart. De uitnodiging vindt u hierbij.

09:55 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

01 april 2012

Nog pijn

We eten tong in madeirasaus en drinken een Aloxe-Corton bij van een goed jaar. Dat de kanker meevalt zegt hij. De dokter geeft hem hooguit nog één jaar. Als de chemo aanslaat misschien nog twee. Daar gaat hij licht over. Was er niet die pijn. Hij is niet alleen. Bij 40 procent van de patiënten met kanker wordt pijn niet goed behandeld. Ruim veertig procent van de kankerpatiënten heeft onnodig pijn. En toch, als patiënten en zorgverleners meer over pijn zouden weten en hierover met elkaar zouden praten dan kunnen zij de klachten samen beter aanpakken. Nu is pijn vaak geen onderwerp van gesprek, terwijl het één van de meest voorkomende symptomen is bij patiënten met kanker. Dat blijkt nog eens uit de promotie van de Nederlandse verpleegkundige Wendy Oldenmenger, dat ik kon inkijken.  Ongeveer 53 procent van de patiënten heeft pijn. Dat komt bijvoorbeeld door een tumor of een uitzaaiing die in het lichaam groeit of doordat de chemotherapie zenuwpijn geeft. “Met de beschikbare medicatie is deze pijn bij de meeste patiënten goed te bestrijden”, zegt Wendy Oldenmenger. Maar daar wil het ziekenhuispersoneel liever niet aan. Ik heb het aan den lijve mogen ondervinden. Dat pijn niet goed wordt behandeld ligt zowel aan de patiënt als zorgverlener, zegt Oldenmenger. Zo zijn artsen niet altijd alert op de pijn die patiënten kunnen hebben, omdat zij meer gericht zijn op het aanpakken van de ziekte. Ook is de kennis die artsen hebben over de medicatie tegen pijn soms onvoldoende. En de patiënten hebben vaak vooroordelen en zijn bang. Ze denken: ‘Als ik nu al medicijnen slik, werkt er straks niets meer als de pijn erger wordt. Of als ik over mijn pijn klaag stopt de arts misschien wel mijn behandeling’. De vooroordelen zijn begrijpelijk, maar onjuist volgens Oldenmenger. Daarnaast is het belangrijk hoe artsen omgaan met pijnklachten. Zij adviseert artsen om zich steeds te laten bijscholen over nieuwe manieren van pijnbestrijding. Ook pleit zij voor een open houding naar de patiënt over de mogelijkheden. Het ergste is de mumbo jumbo van de cognitieve school die je even niet aan pijn zal leren denken. Ze moesten , zoals mijn goede collega Tuur Van Wallendael toen hij kanker kreeg, hun vingertjes één voor één breken. Da’s pas pijn. We hebben koffie en cognac nà. Hij glimlacht bij de gedachte. “Of de vingers tussen de deur,” zegt hij.

Marc van Impe

20:30 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)