27 april 2017

Zonder diagnose ben je een aansteller

 
Indien Charles Darwin in deze tijden geleefd had zou hij geen leven gehad hebben, bedenk ik, als ik die avond naar huis ga na een avondje met hooggeleerde collega’s van de geleerde vrouw. Uiteraard kwam het gesprek weer uit op de toename van het aantal burn-outs, de problematiek van de hoog-sensitieve patiënt en die miljoenen chronische zieken die onze sociale zekerheid opeten.


De media staan er vol van. Dat zou ook al de oorzaak zijn van deze epidemie. Maar daarover straks meer. De psychiater van dienst had dé oplossing: als er geen duidelijke diagnose is, stelt de patiënt zich aan. De patiënt moet zich vermannen, mag niet zeuren en is anders de hulp van ons systeem niet langer waard. Allemaal psychosomatiek. En hij kon het weten, want doceerde hij niet aan de oudste universiteit van het land en werkte hij niet al jaren als expert voor de grootste verzekeraar van het land? Die zouden er wel korte metten mee maken, wist hij. Ten bewijze van zijn stelling: hij kende geen enkele patiënt met burn-out die iets noemenswaardig gepresteerd had. Zijn voorstel kreeg hilarische bijval.


Toen dacht ik plots aan Charles Darwin. Deze vader van de genetica, die verder dus niets noemenswaardig gepresteerd had, was het prototype van de ongediagnositiceerde chronische patiënt. Darwin had last van hartkloppingen, van gerommel in de buik dat we nu IBS zouden noemen, hij had voortdurend hoofdpijn, werd duizelig als hij plots rechtkwam, hij had last van kou, rilde en zweette dan weer als een rund. Zijn biografen maken melding van hysterische huilbuien. En dan dit hedendaags modeverschijnsel: hij was vaak extreem uitgeput. Vaak was hij zo under the weather dat hij geen bezoek kon noch wou ontvangen, geen familie, geen wetenschappers, geen buren met een mandje aardbeien. Niets kon hem plezieren, hij voelde zich alleen maar beroerd.


Bovendien was Charles Robert Darwin als drop-out van de medische faculteit, omdat hij niet tegen het zicht van bloed kon, bijna voorbestemd tot psychosomatiek. Gelukkig leefde hij in de 19de eeuw en toen had men niet zo'n moeite met dit soort van aandoeningen.


En gelukkig was zijn vader een vrijdenkende arts die zich niets aantrok van de mening van anderen en zijn moeder de vermogende erfgename van de porseleinfabrikant Wedgwood. Voor de anekdote: Darwin filosofeerde ook over de voor- en nadelen van een huwelijk. Als voordelen zag deze hypochonder vriendschap en constant gezelschap en het samen oud worden. Een vrouw was volgens Darwin "sowieso beter dan een hond".


Als nadelen tekende hij dingen op als "minder geld over voor boeken" en "enorme tijdverspilling". Hij trouwde tenslotte met zijn nichtje, ook een Wedgwood, die hem niet begreep noch geloofde en vreesde dat ze in de hemel –omwille van Darwins vrijzinnigheid- in een aparte afdeling zouden terechtkomen. Wat Darwin alleen maar beaamde. Tijdens zijn leven is nooit duidelijk geworden wat zijn ziekte veroorzaakte en was er geen behandeling voorhanden.


Later zijn verschillende mogelijkheden gesuggereerd, onder andere de ziekte van Chagas, lupus, autisme, Crohn of een auto-immuunziekte. Maar waar Darwin precies aan geleden heeft blijft onduidelijk.


In Darwins 19de eeuw was het zo dat in Engeland in de betere standen de mensen om je heen aannamen dat je, als je ziek was of je ziek voelde, daar een goede reden voor had en dan had je recht op zorg en medeleven.


Je kreeg op doktersvoorschrift zelfs enkele maanden of zelfs jaren rust op het platteland voorgeschreven, wat overigens aan de oorsprong ligt van het kusttoerisme. Het zicht op de branding zou de mens weer gezond kunnen maken.


Hoe anders is dat nu. Zonder een diagnose komt een patiënt niet ver. Niet alleen is het vaak een bureaucratische voorwaarde voor medische of psychologische zorg, uit onderzoek blijkt ook dat zelfs vrienden en familieleden niet zo toeschietelijk zijn met hulp als de zieke in kwestie niet weet wat er precies aan scheelt.


Alleen lijden is niet genoeg; het moet gecertificeerd lijden zijn. En zelfs dan geeft niet elke diagnose evenveel recht op hulp, laat staan op compassie en respect. Want er is een hiërarchie: ziekten die in het lab of onder de scanner objectief en onomstotelijk zijn vast te stellen staan hoger, en diagnoses die afhangen van het onbevestigde verhaal van een patiënt lager.


Dat heet dan 'modeziekten': aandoeningen waar mensen in een bepaalde periode ineens massaal aan lijden. Dit zijn vaak kwalen waarvoor (nog) geen objectieve test is. Uit een onderzoek van KU Leuven, UGent, VUB en de Odisee-hogeschool, bij zo'n 3.350 voltijdse werknemers en 1.170 zelfstandigen over burn-out, blijkt dat één op twee Vlamingen vreest ooit aan een burn-out te zullen lijden.


Frederik Anseel, arbeidspsycholoog bij de UGent, die meewerkte aan het onderzoek zit ook op de lijn van de modeziekten: "De media berichten veel over burn-out, het probleem wordt veel besproken. Dat maakt het - op een niet-virale manier - besmettelijk. Je hoort of leest er veel over, dus je gaat er zelf ook over nadenken. En misschien herken je inderdaad wel één of een paar symptomen. Maar burn-out is een erg complex probleem. Er is geen duidelijke ontstaansgeschiedenis of oorzaak-gevolgrelatie. Dan moet je toch oppassen met zelfdiagnose."


Aan de KU Leuven wordt gewerkt aan een nieuwe vragenlijst op om de diagnose burn-out te stellen. De kernsymptomen zijn fysieke en psychologische uitputting, geheugen- en concentratieproblemen, emotioneel controleverlies, depressieve klachten en mentaal afstand nemen van het werk. Die checklist wordt nu nog wetenschappelijk getest, maar kan daarna als nieuw instrument worden gebruikt. Hij moet de vorige vervangen, die al meer dan dertig jaar oud is.


Het valt alleen maar te hopen dat de compassie-hiërarchie daaruit geweerd wordt. Zoals de psychiater bij hoog en laag beweerde dat door het ontbreken van een biologische oorzaak veel aandoeningen uitermate geschikt zijn om zich toe te eigenen: de juistheid van de diagnose valt simpelweg niet altijd te controleren. Ik lees dit ook bij psychiater Bram Bakker, die meesmuilt over "vaak jonge vrouwen, die zichzelf hoog-sensitief of licht autistisch noemen, of denken dat ze de ziekte van Lyme hebben.


Die besteden een godsvermogen aan het bij elkaar shoppen van een diagnose, maar ze moeten eigenlijk" - dixit Bakker – "gewoon niet zeiken". Alsof het hier gaat over een groepje geestelijk kleinzerige profiteurs, in plaats van mensen die van binnen pijn hebben en die proberen wat broodnodige hulp bij elkaar te sprokkelen.


Dit is de catch 22 van de geneeskunde: wie lijdt en geestelijk of lichamelijk niet meer goed kan functioneren, heeft hulp nodig, en de ruimte en rust om te herstellen. Maar om ruimte of hulp te krijgen, moet er een diagnose zijn. Als die diagnose niet hoog genoeg in de hiërarchie staat, ben je aansteller, moet je niet zeuren en verdien je geen hulp. Soms heelt tijd wonden. Maar vaak gaat pijn niet weg en verergert de ellende omdat de patiënt de juiste hulp en voldoende ruimte, respect en medeleven ontzegd wordt.


Door bijvoorbeeld onwetende arrogante psychiaters. Niet iedereen heeft de chance van Charles Darwin die af en toe in bed mocht blijven.

Marc van Impe

Bron: MediQuality

09:11 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

27 maart 2017

Prof. Elke Van Hoof (VUB) over hoogsensitiviteit: ‘Ik weet wat het is om je anders te voelen’


Hoogsensitiviteit, sommige artsen hebben het er moeilijk mee. Ik las in een verslag van een verzekeringsarts, die de vloer aanveegde met zowat alle argumenten die de behandelende geneesheer aandroeg: “En natuurlijk lijdt patiënte ook aan de nieuwste modeziekte, de zogenaamde hoogsensitiviteit.”


Hoogsensitiviteit bestaat wel degelijk, zegt klinisch psychologe Elke van Hoof in het boek ‘Hoogsensitief'. Van Hoof (40) is professor klinische psychologie aan de VUB gespecialiseerd in psychodiagnostiek, trauma, stress en burn-out. En is zelf ook hoogsensitief. En hoogsensiviteit is geen ziekte, haast ze zich toe te voegen.


Ze stelde haar boek voor in de Faculty club van de KUL, want wetenschappers van die universiteit hebben een behoorlijk aandeel gehad in de research. Het begon drie jaar geleden. Van Hoof die zich voordien al gebogen had over de CVS-problematiek en burn-out bij journalisten, voor dit een huis-, tuin- en keukenterm geworden was, zei toen nog: ‘Quatsch!' ‘Het leek wel een modeverschijnsel', zegt Elke Van Hoof, ‘met veel esoterie en bijna gekaapt door de zogenaamde experts van de damesbladen, en dan krijg je al snel iets met Bach bloesems, aura's en chakra's. Nonsens dus.'


Dit geleuter zet de nekharen van sommige wetenschappers rechtop. Je krijgt dus believers en non-believers. Iets wat Van Hoof ook al zag in haar onderzoek naar het chronisch vermoeidheidssyndroom. ‘En burn-out tien werd tien jaar geleden ook fel gecontesteerd. Er zijn nog altijd dokters die ontkennen dat die ziekte bestaat, al is er inmiddels een ruime wetenschappelijke consensus over.'


Van Hoof steekt met dit boek dus haar nek ver uit want een consensus over hoogsensitiviteit is er nog lang niet. Nochtans is zij niet de eerste die het fenomeen beschrijft. In de jaren dertig al schreef de Zwitser Fritz Schweingruber over ‘sensible Menschen'. Maar het was de Amerikaanse psychologe Elaine Aron die in de jaren negentig de term HSP bedacht. Samen met haar man Arthur Aron schreef ze er in 1997 een artikel over in het gerespecteerde Journal of Personality and Social Psychology. Het onderzoek kreeg weinig bijval in wetenschappelijke kringen, maar het bracht wel de verkoop op gang van Elaine Arons zelfhulpboeken. De teller staat intussen op ruim 1 miljoen.


Van Hoof ontdekte de ernst van hoogsensitiviteit door de literatuur. Ze overwon de eigenwaan die zoveel psy's eigen is, ging verder dan het inpalmen van een zogezegd onbezet therapieterrein, ook waar die zachte sector specialist in is, maar stapte over naar een wetenschappelijke analyse. Dan vielen de puzzelstukken in elkaar.


‘Toen ik kind was, zwom ik in clubverband. Na wedstrijden kon ik totaal uitgeput zijn van het lawaai en de opwinding. Soms moest ik er een week van bekomen. Ook veel dingen die misliepen op mijn werk, kon ik eraan koppelen. Het gebeurde zo vaak dat ik voelde: ‘Dit klopt niet.' Dan onderbrak ik iemand tijdens een presentatie om kritische vragen te stellen. Collega's apprecieerden dat niet altijd. Vooral omdat ik niet altijd met feiten kon staven wat ik voelde.' Voelen wat er is, beter voelen dan wat anderen met hun papillen niet tasten, kortom: een eigenschap die heel wat niet vreemd is.


‘Het is geen ziekte, maar een aangeboren eigenschap die evenveel bij mannen als vrouwen voorkomt', zegt Van Hoof. Die schat dat 15 tot 20 procent van de bevolking hoogsensitief is. 1 miljoen Vlamingen dus. Plus 600.000 Walen. Je zou het niet zeggen. Maar ze zijn er wel. Geen kleine groep mensen die prikkels diepgaander verwerkt in de hersenen. En die daar niets aan kunnen doen. ‘HSP is niet iets wat je kan krijgen, je bent het'. Hersenwetenschapster Jadzia Jagiellowicz ontdekte in 2011 een neurale basis voor hoogsensitiviteit. Haar proefpersonen kregen onder een MRI-scan plaatjes te zien. Bij HSP's gingen merkbaar meer gebieden in de hersenen oplichten dan bij niet-HSP's. ‘Zij verwerken zintuiglijke informatie dieper', zegt Van Hoof.


‘Daardoor merken ze meer dingen op: een schilderijtje dat op een andere plek hangt of een vriend die stiller is dan gewoonlijk. Maar ook smaken, geluiden, kleuren, vormen, de veranderende sfeer in een groep: het komt allemaal veel sterker binnen. Dat is geen zogenaamd zesde zintuig, integendeel. Met hun vijf zintuigen hebben zij hun handen al meer dan vol.' HSP is een voor- én nadeel: hoogsensitieven hebben een lagere responstijd en maken minder fouten. Maar ze hebben ook meer stressgerelateerde krachten.

Twee jaar geleden ontdekten onderzoekers dat de hersengebieden die verband houden met empathie bij HSP's extra actief zijn. Hoogsensitieven zouden meer spiegelneuronen hebben. Hoogsensitieven zijn niet altijd de gemakkelijkste collega's, net omdat ze zoveel opmerken. Ze geraken ook snel overprikkeld. Door de diepe verwerking hebben hun hersenen meer hersteltijd nodig. Nemen ze onvoldoende rust, dan zijn ze erg vatbaar voor stressgerelateerde klachten, zoals burn-out. Hoogsensitieven scoren opmerkelijk goed in contextonafhankelijk denken.


Ze zijn goed in out of the box denken, iets wat de medische wetenschap meer dan ooit goed kan gebruiken. Hoogsensitieven zijn extra kwetsbaar voor stressgerelateerde problemen, maar alleen in een negatieve context. Ze zijn de eersten die lijden onder een verstoorde werksfeer. Omgekeerd bloeien ze in een goede omgeving meer open dan wie ook. Ze worden creatief en nemen extra taken op zonder er iets voor terug te verwachten. In tijden waarin veel werkgevers op zoek zijn naar werknemers die de ‘extra mile' willen afleggen, is dat een interessant gegeven.


Van Hoof organiseerde vorig jaar een eerste internationaal congres over hoogsensitiviteit aan de Vrije Universiteit Brussel en ontwikkelde een verbeterde test om hoogsensitiviteit te detecteren. Ze is op zoek naar collega's, artsen die mee willen gaan in dit onderzoek. Maar ze heeft een hekel aan bevlogen alterneuten. ‘Ik ben een wetenschapper, zij het een hoogsensitieve. Ik ben alleen geïnteresseerd in feiten, niet in interpretaties.'


Ik hoorde deze week dat de betrokken verzekeringsarts de gracht in reed. God is rechtvaardig en straft de ruwen van geest.


Marc van ImpeMeer info:
Hoogsensitief, wat je moet weten door Elke Van Hoof , Lannoo Campus, € 24,99

 

Bron: MediQuality

08:05 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

06 maart 2017

Verband tussen overmatig alcoholgebruik, stress en burn-out?

Ik heb meegedaan aan de Tournée Minérale, die vandaag afloopt. En het is goed gegaan, dank u. Dat komt zo: een vriend van mij, een hoge ambtenaar houdt er abrupt mee op wegens stress. Hij was altijd goed van innemen maar hij was duidelijk over een grens gegaan. Ik verleg graag mijn grenzen.


Ik lees dat ruim 14% van de Belgische werknemers te veel drinkt en dat dit hand in hand gaat met stress. Vooral ambtenaren drinken teveel. Is het toeval dat diezelfde ambtenaren gemiddeld 16.3 dagen per jaar met ziekenverlof thuis zitten?

Merkwaardig is dat het telkens over dezelfde bevolkingsgroepen gaat: het onderzoek van Wolters Kluwer liep bij kaderleden en ambtenaren die gemiddeld meer dan 2 of 3 consumpties per dag verbruiken.


Het aantal werknemers met problematisch alcoholgebruik volgens de nieuwe en strengere norm (10 consumpties per week), recent ingevoerd door de Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen, ligt dus nog hoger. De cijfers zijn al 6 jaar lang zo hoog, met uitzondering van de periode 2009-2010 (alcoholgebruik daalde toen tot 10%) vermoedelijk door de invoering van het rookverbod.


Zelfs de parlementairen kunnen niet zonder hun dagelijks aantal neuten. Maar het probleem is het hoogste bij ambtenaren en onderwijzend personeel die zich minder goed in hun vel voelen: slechts 72 procent noemde zich tevreden. Ik zie ze wel eens staan aan de buvette van een der Brusselse kopstations: bij het begin en het eind van de werkdag gaan de dagschotels tegen een noodtempo door het strot.


Dubbel zoveel mannen als vrouwen geven aan overmatig te drinken (18% vs. 9%). Daarnaast drinken werknemers in de overheidssector vaker problematisch dan werknemers in de privésector (17% vs 12%). Roken en drinken gaat samen: rokers vertonen meer dan twee keer zoveel overmatig alcoholgebruik als niet-rokers (23% vs 10%).


Overmatig alcoholgebruik en stress gaan hand in hand; gestresseerde werknemers verzeilen vaker in problematisch drinkgedrag (17% vs 11%) en problematische drinkers voelen zich meer gestrest (59% vs 47%). Het gaat zowel om meer werkgerelateerde stress (68% vs 61%) als meer stress in hun privéleven (50% vs. 34%). Werknemers die overmatig drinken, zeggen vaker te veel werk te hebben (60% vs. 49%), doen meer overuren (49% vs. 32%) en vinden hun woon-werk verkeer vaker belastend (48% vs. 29%). Ze vinden hun werk ook emotioneel zwaarder (51% vs. 40%) en zijn meer onzeker over hun job (39% vs 22%).


Werknemers die overmatig drinken, voelen zich minder goed in hun vel (53% vs 38%) en zijn vaker kortaf tegen mensen in hun omgeving (45% vs 27%). 59% van de overmatige drinkers geeft aan dat hun job invloed heeft op hun lichamelijke klachten, tegenover 47% van zij die minder drinken. 55% van wie overmatig drinkt, stelt vast dat zijn werk lijdt onder hoe hij zich voelt, in tegenstelling tot 44% van wie minder drinkt.


Wie een slok teveel opheeft in het verkeer wordt hard aangepakt. En terecht. Maar in de openbare dienst worden de fluwelen handschoenen aangetrokken. De zogenaamde Wet Mahoux van 28.01.03 bepaalt dat alcoholtesten niet zomaar mogen afgenomen worden. Ik citeer: "het peilen naar een bepaald gehalte, zoals bloedtesten, ademanalysetesten, speekseltesten, urinetesten,… mag alleen onder zeer strikte voorwaarden gebeuren door de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer wanneer hij medische onderzoeken uitvoert zoals vastgesteld in het kader van het gezondheidstoezicht en enkel voor deze risicofuncties waarvan vastgesteld wordt dat het veilig en correct uitvoeren ervan elk alcohol -of druggebruik onmogelijk maakt wegens het gevaar voor collega-werknemers. Het betreft hier in feite een biologisch onderzoek met het oog op het vaststellen van de gezondheidstoestand (stellen van een diagnose)."


Niet-biologische testen zoals niet-geijkte blaastesten, psychomotorische testen, vaardigheidsproeven en eenvoudige reactietesten houden in dat het resultaat enkel een positieve of negatieve indicatie geeft, maar geen zekerheid over de intoxicatie.
Men kent het probleem. Maar wordt er opgetreden? Ho maar! Terwijl een chauffeur gewoon aan de kant van de weg gezet wordt en maar zelf kan zorgen dat hij thuis geraakt, moeten de alcoholtests bij ambtenaren "met de nodige omzichtigheid worden gebruikt".


Deze testen betreffen immers een inmenging in de persoonlijke levenssfeer van de werknemer, zoals vastgelegd in het artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke rechten en artikel 22 van de Grondwet. Het privéleven van de ambtenaar is immers een fundamenteel sociaal recht. En volgens het legaliteitsbeginsel is geen inmenging in het privéleven gewettigd, behalve indien deze inmenging voorzien is bij wet. Het inschakelen door de werkgever van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer voor het verrichten van alcohol- of drugstesten is uit den boze. De preventieadviseur-arbeidsgeneesheer dient zich immers steeds in een onafhankelijke positie ten opzichte van zowel werkgever als werknemer te bevinden.


Meer dan 126.000 mensen hebben meegedaan aan de uitdaging van Tournée Minérale, om één maand niet te drinken. Ik vraag me af hoeveel openbare dienstverleners meedoen?

Marc van Impe

Bron: MediQuality

07:56 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)