18 mei 2012

Een boek in je brein

'Het boek wordt bedreigd door het e-book', schreef iemand in een Nederlandse krant. Ik lig op de bank op het terras en lees een boek. Een gedrukt exemplaar. “Alsof het e-book niet ook een boek is,” bedenk ik. Wat verder ligt de geleerde vrouw en leest op haar laptop. Mijn zoon, heb ik gemerkt, leest voornamelijk op zijn iPad. Beneden ligt het Ardense dorp en daar leest er waarschijnlijk niemand op dit ogenblik. Er is geen boekhandel in een straal van 15 kilometer, hoewel net buiten die perimeter het boekendorp Redu ligt, dat telkens ik er kom hoofdzakelijk door Vlamingen bezocht wordt. Nog verder, de andere kant uit, ligt de abdij van Orval wat me de gedachte bijbrengt dat een paar eeuwen geleden de monnik die jarenlang teksten had gekopieerd waarschijnlijk ook zou gezegd hebben dat het boek geen liber was. Nu maakt men er sinds 1934 een bier. Helaas niet genoeg. Maar dit terzijde.
En zo verandert alles. Ik ben begonnen toen parlementairen nog met twee woorden spraken en verslaggevers in het parlement hun beknopt verslag nog schreven met potlood op papier en een bode op de fiets de strookjes naar de redactie bracht waar de telexist ze naar de zetterij hamerde. Ik introduceerde er de draagbare Olivetti, die door de collega’s prompt geroyeerd werd wegens lawaai.  In ‘83 verloor ik ei zo na mijn journalistenlicentie omdat ik op een computer met floppy’s schreef en volgens de erkenningscommissie dus het werk van een zetter deed. Er kwam de  fax en toen die goed ingeburgerd was er de scanner en de modem. En in ’93 het Internet. Vijftien jaar later waren er al smartphones en tablets. Kopiisten werden hobbyisten. De laatste telexisten werden door Landsverdediging met pensioen gestuurd. Zetters zijn nu IT’ers. We schrijven en geven het resultaat zelf vorm. Binnenkort wordt een boek in ons brein geïnjecteerd. Het gaat vooruit. Maar ik kan bijna niet wachten. Of toch. Want daar zal wel een voorschrift van de huisarts of goedkeuring van de neuroloog aan voorafgaan.


Marc van Impe

11:33 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

31 oktober 2011

Hersenziek iemand?

‘Wij zijn ons brein’, schreef hersenonderzoeker Dick Swaab. Uiteraard. Maar nu zou uit internationaal onderzoek blijken dat een derde van de Europese bevolking  of maar liefst 165 miljoen mensen lijdt aan een of meer hersenziekten! Ook blijkt dat van hen slechts een kwart hulp krijgt. Koren op de molen van de psychiaters en marchands in mindfulness, gezondheidscoaches en it’s all in the mind-adepten.

Is hier sprake van een nieuwe epidemie à la H1N4? Of waren we al behoorlijk hersenziek, en wisten we het niet? Is dit nu pas wetenschappelijk vastgesteld? Waarom heeft men ons dit zo lang verzwegen? ‘Slapeloosheid’  is ook een hersenziekte, schrijft het  European College of Neuro-psychopharmacology (ECNP) – zij zijn de uitvoerders van het onderzoek –, zeg ik tegen de geleerde vrouw.  Als ziekenhuisarts die ’s nachts wel eens wakker ligt omdat formulier 74bisMKG.a ontbrak, weet ze er alles van.  En wie van al de mensen die ik wel eens ontmoet zou hersenziek zijn. Mijn vriend Nano de apotheker ? De professor met zijn slecht gebit. De misogyne huisarts met alterneute neigingen? Mijn collega de commentator met zijn eeuwige drang naar nog een Orval meer? Ik ontmoet zo’n 20 mensen per dag, bereken ik. Zeven zijn dus hersenziek. En ze weten het niet.

Gelukkig berust dit bericht op een volmaakt syllogisme: eerst is er gedrag dat bestempeld wordt als een geestesstoornis, geestesstoornissen zijn hersenziekten en hersenziekten moeten – net als andere ziekten – worden behandeld.  In onze westerse samenleving wordt ervan uitgegaan dat sommige mensen inderdaad lijden aan een of andere vorm van een geestesstoornis. Over welk gedrag precies als geestesstoornis mag worden aangemerkt is binnen en buiten de psychiatrie echter het laatste woord nog niet gesproken. Dat zal ook niet gebeuren omdat dit afhangt van de afspraken die we daarover met elkaar maken. Neem nu de DSM V. De redactie van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders weet daar alles over.  Geestesstoornissen zijn modeverschijnselen: hysterie, neurasthenie en homoseksualiteit zijn niet langer stoornissen, sociale fobie en posttraumatische stressstoornis zijn nieuw.  In het uitstekende blad Skepp, niet te verwarren met de vereniging die hetzelfde doel nastreeft, wordt aardig de draak gestoken met de herziening van deze bijbel van de moderne westerse psychiatrie. De redactie ging zo ver dat ze het encyclopedisch werk herleidt tot een democratisch proces waarin de leek zelfs op de website voorstellen kan doen voor nieuwe psychische stoornissen. Zo wordt door de herzieners als nieuwe stoornis de ‘premenstruele dysfore stoornis’ voorgesteld. 

OK, Freud is out. Het brein is in. Probleem is dat slechts weinig artsen en onderzoekers zich tot dusver gespecialiseerd hebben in de laagbetaalde wetenschap van de neurologie. Wie gaat stoornissen als  ziekten kwalificeren?  Geestesstoornissen hangen samen met biologische, psychologische en sociale factoren die in onderlinge verwevenheid hun bijdrage leveren. Maar het reduceren van zoiets complex als gedrag en gedragsstoornissen tot uitsluitend een gevolg van breinprocessen doet de werkelijkheid van mensen met uiteenlopende psychische problemen geen recht. Dat sluit overigens geenszins uit dat er soms wel degelijk een grote, en misschien wel overheersende, bijdrage is van hersenprocessen bij het veroorzaken van gedragsproblemen, zoals in het geval van de ziekte van Alzheimer. Maar om dat zo blunt te stellen als zou een derde van ons hersenziek zijn, daar moet je meer dan een stoornis voor onder de leden hebben. Waar moet dit alles toe leiden? Uiteraard tot behandeling. Uit het onderzoek blijkt dat driekwart van alle gesignaleerde ‘hersenzieken’ geen behandeling krijgt. Dat moet volgens de onderzoekers beter, want ziekten behoeven immers behandeling. En dan liefst ‘vroege opsporing en snelle behandeling’ … ‘om te voorkomen dat beginnende hersenziekten zich verder ontwikkelen en chronisch worden’.

Zou die ECNP banden hebben met de farmaceutische industrie? 

 

Marc van Impe

http://www.ecnp.eu/en/publications/reports/~/media/Files/...

21:29 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

09 mei 2011

Scherp

 

Wie oud wil worden, wil liefst zijn brein scherp houden. Oud en suf  lijkt me geen interessante combinatie, bedenk ik . Ik lig in de wachtkamer voor het OK en zie de klassieke rij van bedden met daarin verpakte mensjes die naar het plafond staren. Ik realiseer me dat dit niet het lot is dat me te wachten wil staan. Wie wacht op de snijzaal kan niet anders dan lijstjes maken. Je wordt immers van elke menselijkheid ontdaan. Bril weg, ringen uit, in je blote kont in een hemd dat langs alle kanten tegen je opkruipt, in een bed met opgeslagen randen. De wereld door een min zeven. Alleen het gepiep van de apparaten in de recovery vlakbij en de flarden muziek als de volgende klant wordt in- of uitgereden.

 

Ik denk aan het artikel dat stelde dat wie in zijn jeugd actief notenleer geleerd heeft en muziek beoefend heeft, langer alert blijft. Check! Dat wie puzzels oplost en moeilijke dingen leest, een plastisch brein behoudt. Check! Dat wie interesse heeft voor het nieuws minder kans maakt op dementie. Check! En dat wie wekelijks een uurtje intensief sport niet alleen lichamelijk fit blijft, maar ook  zijn hersenen traint.  Ai! Dan lijkt me een ander artikel dat ik recent las toch belangrijker. Gevraagd naar de reden waarom hij op hoge leeftijd nog aan een nieuwe relatie was begonnen, antwoordde een Nederlandse hoogleraar me, dat wie lang en gezond wil leven dat best met een jongere partner doet. “Maar dan moet je de regels van het spel kennen,” zei hij. “Wanneer vrouwen hun zin niet krijgen, zeurt 61 procent toch door. Zo’n 26 procent wordt bij onenigheid echt boos, en 21 procent neemt zelfs wraak. Chantage met eten haalt 10% en het weigeren van seks scoort even hoog. Welnu , met ouder worden heb ik daar steeds minder last van. Boos word ik niet meer, trek heb ik alsmaar minder en seks hoeft niet zo nodig.”

Dat zou allemaal moeten blijken uit een nieuw Nederlands – hoe kan het anders- onderzoek dat de Belgische pers niet haalde. Het was wel het onderwerp van gesprek toen we zondagmiddag traditiegetrouw de toestand van de wereld bespraken en de kwaliteit van enkele katholieke brouwsels testten. De geleerde vrouw is binnenkort jarig en dat bracht ons tot filosofische overwegingen. Wat wil jij nog van het leven, was de vraag.  “Het enige wat ik vraag is lief hebben en liefgehad worden,” zei ik om de schrijfster Connie Palmen te parafraseren. “En schrijven, veel meer vraag ik niet van het leven. Dan dat de andere dat respecteert. Verder hoef ik niet zo veel. En ik moet ook niet zo nodig alles met iedereen delen. Ik kan best wat allenig zijn. Wie alleen is vermijdt chaos.”  Ik bedacht daar in de wachtzaal dat ik nu wel heel allenig was.

 

Marc van Impe

09:53 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)