05 januari 2017

De digitale patiënt en de analfabeet

De minister gelooft in de patiëntgerichte digitale technologie en maakt een budget vrij voor projecten met apps. Ze heeft overschot van gelijk want deze toepassingen van eHealth kunnen de zorg voor patiënten verbeteren, om te beginnen voor mensen met chronische aandoeningen zoals diabetes of COPD. Maar om de grote filosoof Johan Cruijff te parafraseren: elk voordeel heb zijn nadeel.

eHealth brengt ook heel wat risico's met zich mee. Om te beginnen zijn vele apps, hulpmiddelen en apparaten (nog) niet officieel geëvalueerd, wat betekent dat de doeltreffendheid ervan onbekend en niet gegarandeerd is. Een tweede risico is dat in sommige gevallen technologie de vraag naar diensten en inzet van mensen verhogen en dat houdt het potentieel in zich dat de wijze waarop patiënten toegang hebben tot de zorg verstoort wordt. Maar het belangrijkste probleem dreigt de digitale uitsluiting van een hele bevolkingsgroep te worden.
Apps zijn maar één aspect van digitale technologie. Daarnaast zijn er wearables en monitoring technologie, online triage tools, online informatie en adviestools, gerichte interventies en peer support tools, online afspraken boeken en andere transactionele diensten zoals voorschriften verlengingen, consultaties op afstand, en tenslotte online toegang tot medische dossiers en zorgplannen.
In een recent rapport van de Britse Nuffield Trust waarschuwt de hoofdauteur Sophie Castle-Clark ervoor dat de digitale technologie een tweesnijdend zwaard is waaraan we ons lelijk kunnen pijn doen. Zonder de juiste regelgeving en een zorgvuldig proefondervindelijk onderzoek kunnen deze digitale hulpmiddelen de kwaliteit van de zorg in gevaar brengen en de manier waarop zorg nu wordt verstrekt ernstig verstoren. Wie het rapport aandachtig leest kan niet anders dan tot de conclusie komen dat men best kiest voor een techno-optimistische aanpak met een sceptische blik op de wetenschappelijke validering van de ontwikkelingen. Op die manier wordt men een techno-realist.
De minister kan over het kanaal wat leren: de NHS England wil dit jaar minstens 10% van zijn patiënten online krijgen. Tegen 2018 moet dat percentage verdubbeld zijn. Maar zoals bij alle digitale innovaties, is niet iedereen klaar om daarvan te profiteren. Laten we de Britse cijfers bekijken: 12.6 miljoen Britten hebben geen digitale basisvaardigheden, en 5.3 miljoen Britten zijn zelfs nog nooit online geweest. Dat is geen marginaal gegeven! Dit betekent dat 23 procent van de bevolking op dit ogenblik gewoon onbekwaam is om van die digitale transformatie gebruik te maken.
Er is geen reden om aan te nemen dat de Belgische bevolking beter digitaal geletterd zou zijn. Wie digitaal uitgesloten is, is niet in staat om dingen te doen die de meesten van ons vanzelfsprekend vinden, zoals online in contact blijven met familie en vrienden, online winkelen of gezondheidsinformatie googelen.
En omdat de digitale technologie met de dag verandert, raken deze ongeletterden steeds verder en verder achterop. Er is een sterke correlatie tussen digitale uitsluiting en andere vormen van sociale uitsluiting. Uit studies blijkt dat 60% van de digitale ongeletterden ook niet over andere kwalificaties beschikken. Er bestaat ook een sterke correlatie met leeftijd (57 % is 65+) en met gehandicapt zijn (49 %). Maar nog sterker is dat 82 % van deze ongeletterden toegeven dat ze elke motivatie om digitaal bij te leren, missen.
Wil de digitale gezondheidszorg dus sociaal en toegankelijk blijven voor iedereen, zoals dat in de analoge wereld het geval is, dan moet de overheid –dat zijn in ons land de regionale ministers- haar verantwoordelijkheid opnemen en ervoor zorgen dat de sociaal uitgeslotenen gemotiveerd worden om zich digitaal bij te scholen. Want ook dat is een vorm van preventie. Hier is een taak weggelegd voor digitale gezondheidscoaches. En voor de ziekenfondsen.
De ervaring met digitale insluitingprogramma's leert ons dat wie dat steeds digitaal geschoold is zelfverzekerder is, minder lijdt onder sociaal isolement, een verhoogd welzijn geniet en meer zelfvertrouwen heeft. Dat houdt echter ook economische meerwaarde in.
Uit een ander rapport van de Tinder Foundation dat dateert uit 2015 in opdracht van het UK Centre for Economics and Business Research blijkt dat de digitale bijscholing van de totale Britse bevolking in totaal £ 1.6 miljard zou kosten, maar in tien jaar tijd £14.3 miljard zou opbrengen. Die data kan geen enkele minister naast zich neerleggen. En in de praktijk bleek dit nog uit te komen ook.
Tussen 2013 en 2015, organiseerde de Tinder Foundation het Widening Digital Participation in opdracht van de NHS England. Dit hield in dat 380.000 patiënten geleerd werd hoe ze digitaal konden communiceren met hun huisarts. 250.000 patiënten konden op het eind van de rit digital uit de voeten. Uit de evaluatie bleek dat voor elk geïnvesteerd £1 de NHS £6.40 bespaarde. Hier ging het over eerstelijnszorg. Er loopt nu een gesofisticeerder project binnen de specialistische zorg voor bedlegerige patiënten waarbij gebruik gemaakt wordt van wearables en apps en waarbij zowel patiënten als clinici betrokken worden.
Het potentieel van de digitale transformatie van de gezondheidszorg is enorm. Maar het zal niet gaan op de manier waarop men in ons land een paar jaar geleden begonnen is: letterlijk vanuit een doodlopende straat waar een onzichtbare administratie doet wat ze denkt te moeten doen.
Digitale insluiting gaat niet over technologie. Het gaat over mensen: mensen die andere mensen helpen om te zien hoe het internet hun leven kan transformeren. En dat werkt alleen als dat lokaal gebeurt, face to face, vriendelijk en toegankelijk waarbij de gebruiker centraal staat. Men mag dan welk bijna 5 miljoen patiënten hebben die toestemming hebben gegeven om hun medisch dossier te delen, dat stelt niets voor als bijna een kwart van hen niet weet waarover het gaat. Digitalisering van de zorg en eHealth zijn mooie doelstellingen maar ze zijn niets als ze niet gekoppeld worden aan een sociale beweging.
Het is alsof men een prachtig wegennet zou bouwen in een land waar een kwart van de bevolking niet eens over een rijbewijs beschikt.


Meer info:
http://www.nuffieldtrust.org.uk/sites/files/nuffield/publ...
http://www.tinderfoundation.org/sites/default/files/research-publications/the_economic_impact_of_digital_s

 

Marc van Impe

Bron: MediQuality

18:35 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (1)

04 juni 2015

Zit u wel te wachten op nieuwe mobiele gezondheidsapps ?

CHICAGO 05/06 - Onderweg naar het ASCO-congres in Chicago lees ik dat Marc Coucke zo’n kleine 30 miljoen euro gaat investeren in miLab, een project van het Leuvense Imec en Johns Hopkins University dat over een jaar of vier voor nog geen twintig euro patiënt én huisarts in staat stelt een bloedanalyse te doen op 150 parameters en dat binnen een half uurtje.

Dit zal een serieuze aderlating betekenen voor de tientallen labjes die nu hun brood verdienen met routineonderzoeken aan de hand van bloedstalen die door een verpleegkundige moeten afgenomen worden, door een koerier opgehaald, door een biochemicus geanalyseerd worden, door een klinisch bioloog gefiatteerd en vervolgens geprotocolleerd worden, waar als alles goed gaat de huisarts die de aanvraag indiende na drie dagen de resultaten ontvangt. De patiënt zit weer een half uur in de wachtzaal zijn kostbare tijd te verdoen voor hij aan de beurt is tegen een geconventioneerd tarief.

Ik zat gisteren bij mijn vriend de klinisch bioloog die nu aan de andere kant van de poortkatheter ligt. "Er zullen altijd apothekers zijn," zegt hij," die mijn chemo samenstellen. Zorgvuldig, steriel, veilig, op maat." Ik vrees dat hij zich vergist. Ik zag een paar maanden geleden een zogenaamd lab in a box dat volledig autonoom medicatie doseert en verpakt als ging het om een pot verf met een kleurcode uit de jaren stillekens. Accuraat, veilig, steriel en zonder cao of nomenclatuurnummer.

Over vier jaar komen de eerste miLabs op de markt, ik denk, nog vroeger. Ze zullen in de supermarkt van onze gezondheidszorg naast de Biocartis liggen die onze tumoren zullen vinden, en naast honderden andere apps die zullen uitrekenen wanneer we het vruchtbaarst zijn, het best gehumeurd, aan een powernap toe zijn of gewoon of we nog een Orval kunnen hebben en toch veilig de weg op.

Ik kijk er naar uit, ik kan nauwelijks wachten. Tegen dan ook zal men hopelijk begrepen hebben welke fout men maakt met het obsessioneel najagen van big data en zullen er geen ziekenfondsen meer zijn waar ik met mijn plakbriefje op een getuigschrift in een natte wachtzaal zit te wachten op mijn tot op de eurocent uitgerekende terugbetaling.

Uiteraard is al die informatie niet zo eenvoudig te interpreteren, maar daar heb ik mijn arts voor. Maar mijn arts zal dan weer tijd hebben voor een echt gesprek. Ik zal met hem van mening kunnen verschillen. En samen zullen we de vakliteratuur er op onze tablet bijhalen.  Dat allemaal op voorwaarde dat de nieuwe generatie artsen daarvoor opgeleid wordt.

De docenten van nu staan voor een opgave die ze nauwelijks bevatten. Ik leef op hoop. De wereldverbeteraars en marxisten die in hun onderlijfje de geneeskunde voor het volk bedrijven, zullen in oude-mannen-tehuizen herinneringen aan weleer kunnen ophalen, terwijl in een hoekje een man die beweert dat zegt dat hij de  voorzitter is, deuntjes op zijn accordeon speelt.

Ik word wakker. De piloot heeft de landing ingezet. Fasten seat belts. Nu nog de rug rechten. Op mijn schoot ligt pagina 26 van The New Yorker open. Mijn buurman blijkt arts te zijn. Hij las mee. Het wordt een mooi congres.

Marc van Impe

 

Bron : MediQuality

20:26 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)