26 december 2017

CVS/ME heeft een handtekening


Onderzoekers aan het Georgetown University Medical Center hebben onderscheiden moleculaire handtekeningen gevonden in twee hersenaandoeningen, waarvan lang gedacht werd dat ze psychologisch in oorsprong waren – chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS/ME) en Golfsyndroom (GWI). Daarnaast ondersteunt het werk een eerdere waarneming door onderzoekers van het GUMC van twee varianten van Golfoorlogsyndroom. De stoornissen delen overeenkomsten, zoals pijn, vermoeidheid, cognitieve stoornissen en uitputting na inspanning.

Hun studie, die in Nature Scientific Reports gepubliceerd werd, legt de grondslag vast die nodig is om deze aandoeningen te begrijpen, ze te diagnosticeren en effectief te behandelen, zegt senioronderzoeker, Dr. James N. Baraniuk, professor geneeskunde aan de Georgetown University School of Medicine. Narayan Shivapurkar, PhD, assistent-professor oncologie aan de faculteit geneeskunde, werkte samen met Baraniuk aan het onderzoek. De veranderingen in hersenchemie – waargenomen in niveaus van miRNA, die de eiwitproductie aan of uitschakelen – werden gezien 24 uur na 25 minuten fietsen op een hometrainer. "We zien duidelijk drie verschillende patronen in de productie van deze moleculen in de hersenen in de CVS/ME-groep en de twee GWI-fenotypes," zegt Baraniuk. "Dit nieuws zal goed onthaald worden door patiënten die aan deze aandoeningen lijden en die fout gediagnosticeerd werden en in de plaats misschien behandeld werden voor depressie of andere mentale stoornissen."

Men dacht dat CVS/ME psychosomatisch was totdat een review uit 2015 van 9000 artikels over 64 jaar onderzoek wees op niet-gespecificeerde biologische oorzaken. Toch is er nog geen definitieve diagnose of behandeling beschikbaar.

Golfoorlogsyndroom ontwikkelde zich in meer dan een vierde van de 697.000 veteranen die ingezet zijn in de Perzische Golfoorlog in 1990-1991, hebben Baraniuk en zijn collega's in eerder werk gerapporteerd. Golfoorlogveteranen werden blootgesteld aan combinaties van zenuwgassen, pesticiden en andere toxische chemicaliën die de chronische pijn, cognitieve, gastro-intestinale en andere problemen in gang gezet kunnen hebben, zegt Baraniuk. Hoewel de mechanismen onbekend blijven, biedt de studie belangrijke inzichten in de hersenchemie die nu onderzocht kan worden.

Deze studie focuste zich op het hersenvocht van CVS/ME, GWI en controlepersonen die instemden met een lumbale punctie. Lumbale puncties vóór inspanning toonden miRNA-niveaus die hetzelfde waren bij alle deelnemers. Na inspanning daarentegen waren de miRNA-niveaus aanzienlijk verschillend. De CVS/ME-groep, controlegroep en twee subtypes van GWI-groepen hadden verschillende patronen van verandering. Zo hadden bijvoorbeeld CVS/ME-patiënten die zich inspanden verminderde niveaus van 12 verschillende mRNA's in vergelijking met patiënten die zich niet inspanden.

De veranderingen in miRNA in de twee GWI-subtypes sluiten aan bij andere verschillen die door inspanning veroorzaakt worden. Een subgroep ontwikkelde een sprong in de hartslag van meer dan 30 hartslagen bij rechtstaan, dat twee tot drie dagen na de inspanning duurde. Beeldvorming met magnetische resonantie (MRI) toonde kleinere hersenstammen aan in gebieden die de hartslag controleren, en activeerde hun hersenen niet bij het uitvoeren van een cognitieve taak. De andere subgroep had daarentegen geen verandering in hartslag of hersenstam, maar gebruikte bijkomende hersengebieden om een geheugentest te voltooien. De twee groepen waren net zo verschillend van elkaar als ze waren van de controlegroep.

Het vinden van twee verschillende pathofysiologische miRNA-hersenpatronen in patiënten met Golfsyndroom "voegt een andere bewijslaag toe om de neuropathologie in de twee verschillende manifestaties van Golfsyndroom te ondersteunen," zegt hij.

Baraniuk voegt eraan toe dat de miRNA-niveaus in deze aandoeningen verschillend waren dan de niveaus bij depressie, fibromyalgie en de ziekte van Alzheimer, wat er verder op wijst dat CVS/ME en GWI verschillende ziekten zijn.

Marc van Impe


Bron: MediQuality

09:18 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

25 december 2017

Gentherapie succesvol bij behandeling hemofilie B


Onderzoekers van onder andere Erasmus MC hebben patiënten met hemofilie B, een erfelijke bloedingsziekte, succesvol behandeld met gentherapie. Deze patiënten hoeven zich na de gentherapie niet meer 2 tot 3 keer per week te prikken met (kostbare) stollingsmiddelen. De onderzoekers presenteerden hun bevindingen vorige week tijdens het jaarlijkse congres van de American Society of Hematology in Atlanta en in het gezaghebbende tijdschrift Blood.

In een Europese studie geleid door prof.dr Frank Leebeek van de afdeling Hematologie van het Erasmus MC is aangetoond dat gentherapie bij patiënten met ernstige hemofilie B leidt tot verhoging van stollingsfactor IX in het bloed en dat daarmee een sterke vermindering van het aantal bloedingen kan worden bereikt. In de succesvolle studie werden 6 van de in totaal 10 patiënten behandeld in de hemofiliebehandelcentra in Nederland van het Erasmus MC, UMCG, AMC en het UMCU.

Gentherapie vindt plaats door gebruik te maken van een aangepast en niet-ziekmakend virus waarin het factor IX gen is ingebouwd. In de studie zijn twee verschillende doseringen van een AAV-5 virus-FIX gen product (vector), ontwikkeld door uniQure Biopharma (Amsterdam), toegediend via een kortdurende éénmalige infusie van 30 minuten bij 10 patiënten met hemofilie B. Het virus gaat via de bloedbaan naar de lever, brengt het factor IX gen in de levercellen, waar het factor IX vervolgens wordt aangemaakt. Bij alle patiënten was na de gentherapie factor IX meetbaar in het bloed (gemiddeld 4,8% bij de lage dosis en 7,2% bij de hoge dosis). Hierdoor traden 90% minder spontane bloedingen op. Van de negen patiënten die zichzelf tevoren regelmatig stollingsfactor toedienden, konden acht hiermee stoppen na de gentherapie. De meeste patiënten hebben in de laatste 9 maanden geen bloedingen meer gehad. Door de gentherapie is een totale kostenbesparing aan stollingsfactoren bereikt van ongeveer 2.000.000 euro per jaar. Bijwerkingen waren minimaal en bestonden uit milde en tijdelijke leverfunctietest afwijkingen. Sommige patiënten zijn inmiddels ruim twee jaar na behandeling met stabiele en doorgaande expressie van factor IX.

Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

19:22 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

Hoogte spiermassa voorspelt herstellend vermogen patiënt


Aan de hand van de omvang van de skeletspiermassa van patiënten kan in de toekomst worden voorspeld hoe de patiënt zijn operatie zal doorstaan.

Arts-onderzoeker en chirurg in opleiding Jeroen van Vugt ontdekte dat patiënten met een lage spiermassa na een operatie meer complicaties ontwikkelen, minder snel opknappen, en grotere kans hebben om te overlijden na de ingreep. Van Vugt promoveerde op 20 december aan het Erasmus MC te Rotterdam.

Van Vugt deed onderzoek bij patiënten die op de wachtlijst staan voor een levertransplantatie en bij patiënten die aan kanker in het maagdarmstelsel lijden, en daaraan geopereerd moesten worden. Hij zette de diagnostische CT-scans van de buik van alle patiënten op een rij en kleurde daarin de buik- en rugspieren aan. Die geven een goede indicatie van de gehele spiermassa.

Hij verdeelde de patiënten in verschillende groepen, al naar gelang van de hoogte van hun spiermassa. In de groep mensen met de laagste spiermassa ontdekte hij significant meer postoperatieve complicaties zoals wondinfecties. Bij de mensen die op de wachtlijst staan voor een levertransplantatie overleden bovendien significant meer mensen met lage spiermassa aan hun leverziekte, voordat zij getransplanteerd konden worden.

De spiermassa zegt iets over de algehele conditie van de patiënt: hoe minder goed ontwikkeld de spieren zijn, hoe slechter de conditie is. "Natuurlijk hangt het verlies van spiermassa samen met de ziekte die deze mensen hebben. Maar de conditie die zij hebben voordat ze ziek worden, is waarschijnlijk ook van invloed. Voldoende beweging, gezonde voeding en gezond gewicht zijn dus niet alleen belangrijk om gezond te blijven, maar ook om beter bestand te zijn tegen ziekten."

De resultaten van Van Vugts onderzoek zijn belangrijk omdat nu tijdig kan worden gekeken naar de spiermassa van patiënten. Als die laag blijkt te zijn, kan de patiënt voor en na de operatie worden aangemoedigd om de spiermassa te versterken. Bijvoorbeeld met een combinatie van psychosociale begeleiding en gezonde leefstijl (voeding en beweging). "Maar ons lab onderzoekt ook of medicatie kan worden ontwikkeld die aangrijpt op de ontstekingsprocessen die ervoor zorgen dat spiermassa verloren gaat."

Van Vugts uitkomsten zijn ook van belang omdat ermee wordt aangetoond dat de vergoedingen die aan ziekenhuizen worden betaald voor de behandeling van ziekten eigenlijk niet te standaardiseren zijn. "Dit onderzoek toont aan dat een lage skeletspiermassa ervoor zorgt dat meer kosten worden gemaakt voor de behandeling. Dat kan oplopen tot duizenden euro's per patiënt. Universitaire ziekenhuizen krijgen relatief veel kwetsbare, gecompliceerde patiënten, maar ontvangen nu dezelfde vergoedingen als ziekenhuizen die voornamelijk veerkrachtiger patiënten behandelen."

Probleem is voorlopig nog wel dat er geen standaard waarden zijn vastgesteld voor een gezonde spiermassa. Wat voor een 45-jarige vrouw van van 1.78 meter lang, of voor een 57-jarige man van 1.98 meter een optimale hoeveelheid spiermassa is, is nog niet bekend. "We zijn wel druk bezig om te komen tot een soort gemiddelde. Zoals het consultatiebureau beschikt over een groeicurve aan de hand waarvan wordt bekeken of een kind groeit zoals mag worden verwacht. Maar dat is methodologisch gezien een heel grote uitdaging."

Marc van Impe


Bron: MediQuality

08:12 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)