10 juni 2017

Biomedische wetenschap bijna net zo eerlijk als bankensector



Rigor mortis, zo omschrijft de Amerikaanse wetenschapsjournalist Richard Harris de toestand van het biomedisch onderzoek. Harris werkt voor de Amerikaanse National Public Radio, die nu door Trump op droog zaad dreigt worden gezet. Een groot deel van dat biomedisch onderzoek, volgens conservatieve schattingen zelfs zo'n 50 procent, blijkt niet waar, en dat komt niet alleen door voortschrijdend inzicht, maar door haast en concurrentiestrijd.


De uitdrukking 'sloppy science' is zeker van toepassing en de toestand wordt volgens Harris alleen maar erger. Vandaar de titel van zijn nieuwste boek: Rigor Mortis.


Harris: "Tijdens het werken aan mijn boek bezocht ik Anna Barker, een onderzoeker aan Arizona State University in Tempe. In haar werkkamer hing een poster met zo veel tekst dat ik het amper kon lezen. Ik vroeg haar wat dat was. 'Dat zijn de tweehonderd mislukte patiëntenstudies met middelen tegen hersentumoren', zei ze. De laatste decennia zijn nauwelijks nieuwe medicijnen op de markt gekomen, hoewel er miljarden in onderzoek zijn geïnvesteerd. Als we zo vaak op een dood spoor belanden, moeten we ons afvragen of we wel op de goede plek beginnen."


"Wetenschappers moeten op een andere manier worden beloond," zegt Harris aan de Volkskrant. "Dat kan bijvoorbeeld door meebetalende geneesmiddelenbedrijven een niet-goed-geld-terug-garantie te geven als resultaten niet blijken te kloppen. Dat stimuleert onderzoekers grondiger te werk te gaan. Of door wetenschappers meer tijd te geven om in een vroeg stadium elkaars methoden te bekritiseren." De manipulatie kan onbewust of opzettelijk zijn, maar wat telt voor academici, is uiteindelijk het publiceren in hoge impact tijdschriften zoals Science, Nature of Cell.


Richard Harris is ruim dertig jaar werkzaam als wetenschapsjournalistiek, daarbij deed hij verslag van heel wat medische ontwikkelingen en falen. Met meer optimisme dan de meeste ervan verdienden, realiseert hij zich nu. Zo schreef hij eens over het enzym superoxide dismutase, als mogelijke behandeling voor dwarslaesies. Sindsdien niets meer van gehoord.


Een ander voorbeeld. In 2007 bleek al dat bij 18 tot 36 procent van al het onderzoek met gekweekte cellen door vervuiling in labs de verkeerde soort cellen waren gebruikt. Tienduizenden publicaties konden bij het oud papier – inclusief talloze studies naar hersentumoren. Vaak is het de farma-industrie die ontdekt dat het onderzoek waardeloos is. Zo citeert Hareris een wetenschapper van Amgen die maar liefst 53 veelbelovende studies probeerde te reproduceren. Dat lukte maar in 6 gevallen.


Maar de crisis van de reproduceerbaarheid getuigt ook van de vele manieren waarmee wetenschappers hanteren of hun resultaten manipuleren. Een van de bekende academische technieken is HARKing (hypothesising after the results are known), creatieve statistische analyses, selectieve keuze van bepaalde patiënt bij RTC's zoals bij de PACE studie het geval was, te weinig deelnemers aan een studie en of overdreven extrapoleren van dierproeven.


Nog zo'n probleem is het fetisjisme met muisproeven. Veel muizenonderzoek is waardeloos, omdat die dieren genetisch zo uniform zijn gemaakt dat de resultaten amper naar de mensenpopulatie te vertalen zijn. Bij muizenexperimenten weet de onderzoeker vaak welke dieren de echte behandeling hebben gehad en welke het placebo, waardoor hij niet meer objectief naar de dieren kijkt.


Harris: "Nog altijd wordt veel slechte statistiek bedreven en te vaak zoeken wetenschappers achteraf in hun onderzoeksresultaten net zo lang tot ze een verband hebben gevonden dat de moeite van het publiceren waard is. Het middel heeft dan bijvoorbeeld geen effect op de tumorgroei en ook niet op de overlevingskansen, maar wel op het aantal uitgezaaide cellen. De kans is dan groot dat sprake is van een toevalstreffer en geen echt verband.." Maar er zijn op fouten die hun basis vinden in de opleiding van de wetenschappers zelf.


Harris ontdekte dat wetenschappers nauwelijks leren hoe ze goede experimenten moeten opzetten. "Men gaat er veelal van uit dat de hoogleraar jonge onderzoekers leert hoe dat moet. Maar in praktijk is die hoogleraar nog maar zelden in het lab te vinden. Hij is vooral bezig met het schrijven van onderzoeksvoorstellen in plaats van jonge onderzoekers goed op te leiden. Het is kortetermijndenken: de studenten zijn immers goedkope werkkrachten." De oorzaak schrijft Harris is de moordende concurrentie tussen wetenschappers. "


Concurrentie is op zich goed, maar in de huidige situatie wordt verkeerd gedrag beloond. Wetenschappers moeten steeds nieuwe subsidies binnenhalen en daarvoor zijn zo veel mogelijk publicaties nodig. Liefst in vooraanstaande tijdschriften, die vooral opzienbarende bevindingen plaatsen. Dat leidt tot haast en maakt de verleiding groot hier en daar een bocht af te snijden en de zaken mooier voor te stellen dan ze zijn. Dat zijn perverse prikkels."


De vergelijking met de bankensector (voor de crisis van 2008) is snel gemaakt. Maar in tegenstelling tot de doorsnee bankier zijn er geluykkig nog voldoende betrokken wetenschappers. " Net als in de bankensector is er sprake van diepe problemen door heel het systeem, waarvoor niet één persoon of één organisatie verantwoordelijk is. Dat maakt ze moeilijker op te lossen. Maar binnen de wetenschappelijke gemeenschap leeft een grote behoefte om iets aan de situatie te doen. Ik heb niet de indruk dat dat in de bankenwereld ook het geval is."


De laatste decennia zijn nauwelijks nieuwe medicijnen op de markt gekomen, hoewel er miljarden in onderzoek zijn geïnvesteerd. Dat doet vragen rijzen of de academische wereld waar het fundamenteel onderzoek gebeurt wel goed bezig is. De Leuvense ‘topdokter' Van Gool is zo'n voorbeeld. Harris wil dat het bij het juiste eind hebben weer centraal komt te staan. " En om de concurrentie te verminderen, moet er meer geld naar biomedisch onderzoek - wat niet echt een realistische verwachting is - of de sector moet kleiner worden.


Daarnaast moeten wetenschappers op een andere manier worden beloond. Dat kan bijvoorbeeld door meebetalende farmaceutische bedrijven een niet-goed-geld-terug-garantie te geven als resultaten niet blijken te kloppen. Dat stimuleert onderzoekers grondiger te werk te gaan. Of door wetenschappers meer tijd te geven om in een vroeg stadium elkaars methoden te bekritiseren. Maar het kan ook zonder met geld te schuiven. Het tijdschrift Psychological Science looft sinds kort 'badges' uit aan wetenschappers die hun onderzoeksgegevens delen zodat anderen hun analyses kunnen checken.


Het aantal artikelen waarbij dat gebeurde steeg van 3 naar 38 procent. Zoals een betrokken onderzoeker zei: 'Badges are stupid, but they work."


Een suggestie die ik graag mag maken: maak dat waardeloze academici geen jonge doctorandi op waardeloos onderzoek zetten, waarna ze als de zaak aan de daglicht komt, alle verantwoordelijkheid van zich af kunnen schuiven.


Marc van Impe

 

aaaaa.jpgRIGOR MORTIS, HOW SLOPPY SCIENCE CREATES WORTHLESS CURES, CRUSHES HOPE, AND WASTES BILLIONS.
Richard Harris (Basic Books), kost afhankelijk van de Boekhandel tussen de 35 en 45 €.

 

 

 



Bron: MediQuality

08:25 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

24 mei 2017

Waarom alles wat u over zout leerde, fout is

Wat de medische wetenschap de voorbije tweehonderd jaar over zoutconsumptie doceerde, leek niet meer dan logisch. Ons lichaam kan niet zonder zout, maar gaat dood door teveel zout. Natrium is een vitaal element en kan dus ook schadelijk zijn.


Aanname 1: Als je veel zout eet krijg je dorst en drink je meer water, wat zorgt voor de juiste verdunning van het bloed om de juiste concentratie natrium te bereiken. Het overtollige zout en water wordt in de urine uitgescheiden. Die theorie is intuïtief en simpel. En blijkt volledig fout te zijn, zo blijkt uit nieuw Duits-Russisch onderzoek dat recent gepubliceerd werd in The Journal of Clinical Investigation.


De studies betroffen Russische kosmonauten die tijdens een gesimuleerde ruimtereis in afzondering gehouden werden en die verschillende porties zout in hun dieet kregen. Een eerste algemene conclusie: meer zout maakt niet dorstiger maar wel hongeriger. Bij herhaling van het experiment op muizen bleek dat deze meer calorieën verbrandden toen ze meer zout aten en 25 procent meer moesten eten om op gewicht te blijven.


De research, die gepubliceerd werd in twee uitgebreide papers met begeleidend editoriaal in The Journal of Clinical Investigation, spreekt de gangbare overtuiging van hoe het lichaam met zout omgaat dus tegen. En de specialisten staan perplex.


Hoofdonderzoeker is Dr. Jens Titze, nierspecialist aan de Amerikaanse Vanderbilt University en verbonden aan het Medisch en Centrum en het Interdisciplinary Center for Clinical Research in Erlangen, Duistland. Zijn onderzoek begon in 1991, toen hij als student geneeskunde in Berlijn geïnteresseerd raakte in de menselijke fysiologie onder extreme omstandigheden.


Zijn hoogleraar was betrokken bij het Europese ruimtevaartprogramma en liet hem kennismaken met data van een gesimuleerde ruimtemissie van 28 dagen waarbij de bemanning in een kleine capsule opgesloten werd.


De opzet was een psychologische observatie, maar de onderzoekers maakten van de gelegenheid ook gebruik om de urine en andere fysiologische markers permanent te observeren. Dr. Titze merkte toen al op date r is geks aan de hand was: de urinevolumes gingen gedurende zeven dagen op en neer in een regelmatige cyclische beweging. En dat ging in tegen alle logica die hij aan de faculteit geleerd had: er mocht immers geen dergelijke tijdelijke cyclus voorkomen.


In 1994, besloot het Russische ruimteprogramma een simulatievlucht van een 135-dagen op te zetten. Ook nu slaagde Dr. Titze er in om het urine-afscheidingspatroon en de zoutinname van de kosmonauten te monitoren. Tot zijn verbazing correspondeerde het 28-dagenritme van de natriumwaarden niet met de geproduceerde hoeveelheid urine. En wat vooral verbaasde was dat de natriumwaarden meer geprononceerd waren dan de urinepatronen. Normaal gezien zouden de natriumwaarden gelijk moeten stijgen en dalen met het urinevolume. De studie was niet perfect, maar Titze's nieuwsgierigheid was gewekt. Hij begreep dat hij een "ketterij" zou gaan verkondigen. Vervolgonderzoek in gecontroleerde omstandigheden was dus nodig. Dat kwam er in 2006 toen de Russen twee volgende simulatievluchten opzetten van 105 en 520 dagen. Dr. Titze was weer van de partij.


Tijdens de korte simulatie kregen de kosmonauten een dieet dat gedurende 28 dagen 12 gram zout, vervolgens 9 gr en tenslotte 6 gr per dag bevatte. Tijdens de langere simulatie kregen ze een bijkomende cyclus van 12 gram per dag. Om te beginnen verkozen de kosmonauten het zoutrijke dieet. Oliver Knickel, 33, een Duitse kosmonaut, zei achteraf zelfs dat 12 gram per dag flauw was. Een dieet met 6 gram zou per dag was "smakeloos". Titze was niet verbaasd maar was wel geschokt toen bleek hij de resultaten bekeek van het uitgescheiden natrium, het urinevolume en de natriumwaarden in het bloed. De geheimzinnige cycli bleven zich manifesteren, maar alles leek volgens de handboeken te gaan. Als de bemanning meer zout at, scheidden ze meer zout af, het natriumgehalte in het bloed bleef constant en het urinevolume nam toe.


Maar het volume gedronken vloeistof nam af. Dus hoe meer zout de bemanning at, des te minder water werd er gedronken. De vraag was dus waar het uitgescheiden water vandaan kwam? De enige verklaring was dat het lichaam zichzelf meer water onttrok naarmate de inname van zout toenam. Een tweede vraag was waarom de bemanning klaagde over een hongergevoel bij een dieet met een hoger zoutgehalte. De rantsoenen waren nochtans dezelfde en er waren geen klachten bij een lager zoutgehalte. Uit de urinetesten bleek echter dat de bemanning meer glucocorticoïde hormonen afscheidde, die invloed hebben op het metabolisme en de immuunfunctie.


Dr. Titze zette een simulatie op met proefmuizen. Ook daaruit bleek dat hoe meer zout de dieren toegediend kregen des te minder water ze dronken. Maar hun urineafscheiding bleef op hetzelfde niveau. Het water moest dus ergens vandaan komen. Toen bleek dat de glucocorticoiden het vet en het spierweefsel afbraken en het vrijgekomen water afgescheiden werd. Dat kost uiteraard energie. Vandaar dat de" muizen tot 25% meer aten bij een meer gezouten dieet. De hormonen zijn ook mogelijk de oorzaak van de vreemde schommelingen in urine volume op lange termijn.


Mensen doen dus wat kamelen doen, schrijft Dr. Mark Zeidel, een neforloog van de Harvard Medical School, in een begeleidend editoriaal. Een kameel in de woestijn die geen water te drinken heeft krijgt fabriceert water door het afbreken van het vet in zijn bult.


Aanname 2 die op de helling staat: meer zout betekent geen gewichtstoename maar integendeel gewichtsafname.


Voor de goede orde: Dr. Titze adviseert géén zoutrijk dieet als vermageringskuur. Overigens leiden hoge glucocorticoide waarden tot osteoporose, spierafbraak, diabetes type 2 en andere metabole problemen.


"Dit is gewoon zeer fascinerend," zei Dr. Melanie Hoenig, van de Harvard Medical School. "Het onderzoek werd uiterst nauwkeurig gedaan. Het maakt duidelijk dat we het effect van natriumchloride op het lichaam niet echt begrijpen. Deze effecten kunnen veel complexer zijn dan de relatief eenvoudige natuurwetten op basis van druk en deeltjes." Zij en anderen zijn er nu in elk geval van overtuigd dat zoutrijke diëten de bloeddruk bij gezonde mensen niet kunnen verhogen. Maar ik vermoed ook dat als het gaat om de negatieve gevolgen van een hoog natriuminname, we het juist voorhebben omwille van alle mogelijke verkeerde redenen."


Meer info:
https://www.jci.org/articles/view/88530 en https://www.jci.org/articles/view/88532

Marc van Impe

Bron: MediQuality

12:14 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

10 mei 2017

1 op 3 afgestane organen is niet geschikt voor transplantatie

 

Iets meer dan een derde van de gedoneerde harten en longen in België wordt niet gebruikt. Het gaat over organen die artsen niet geschikt vinden voor transplantatie. Daarnaast weigeren 1 op de 10 families organen van hun geliefde af te staan na overlijden, ondanks een vooruitstrevende wetgeving, schrijft Katrien Verbeke op Apache.


Momenteel wachten 1.217 mensen op een geschikt orgaan. De grootste groep wacht op een nieuwe nier. Maar omwille van medische en/of technische redenen worden organen in België geregeld afgekeurd. "In 33% van de gevallen krijgt een hart uiteindelijk geen ontvanger. En ook 34% van de longen, 21% van de levers en 13% van de nieren, wordt niet gebruikt. Uitschieter is de pancreas, een erg gevoelig orgaan. Daarvan kunnen artsen slechts 17% gebruiken en gaat 83% verloren", zegt Luc Colenbie, transplantatiecoördinator van het universitair ziekenhuis in Gent en expert bij de FOD Volksgezondheid.


De reden daarvoor is vooral medisch van aard. Het orgaan voldoet dan niet aan de kwaliteitsvoorwaarden. Ook de urgentie is een belangrijke factor. Er is ook een maatschappelijke verklaring. De inspanningen van de overheid om het aantal verkeersslachtoffers te doen dalen, werkt. Daardoor zijn er minder jonge donoren, waardoor de gemiddelde leeftijd van een orgaandonor stijgt naar 56 jaar, veelal na een hartstilstand of hersenbloeding. Ook de organen die in de database terechtkomen, zijn dus ouder. Artsen kunnen dan wel het hart weigeren, de nieren van diezelfde persoon zijn vaak wel nog bruikbaar.


"Tegenwoordig kunnen we organen die vroeger afgekeurd zouden worden op basis van leeftijd, toch nog transplanteren", zegt Colenbie. "Dat zorgt voor een belangrijke shift. We selecteren nu op basis van de kwaliteit van het orgaan, ook al was de persoon al wat ouder. De oudste donor in 2015 was 90 jaar." De technische vooruitgang zal de verliespercentages doen zakken, maar alle organen recupereren lukt nooit.


"Momenteel gebruiken we de perfusietechniek enkel voor nieren. In de toekomst moet dat ook mogelijk zijn voor de andere organen", zegt Colenbie. Dat zal de verliespercentages volgens de expert doen zakken, maar alle organen recupereren zal volgens de expert nooit lukken.


België behoort op vlak van orgaandonatie bij de top van Europa. We bevinden ons op de tweede plaats, na een verrassende winnaar: Kroatië. Het succes van België is grotendeels te verklaren omdat we een zeer hoog aantal donoren hebben per miljoen inwoners. Dat komt door onze vooruitstrevende wetgeving, die voorschrijft dat iedereen in principe donor is, tenzij iemand expliciet laat registreren geen donor te willen zijn. Toch kan het nog beter. "We kunnen het tekort aan donors nog meer terugdringen door te sensibiliseren", weet Lauwereys. "Veel geschikte donoren komen niet in de database terecht omdat familieleden weigeren om de organen van hun geliefde af te staan." Dat gebeurt in 12% van de gevallen.Vaak omwille van religieuze overtuigingen. Ze gaan er volgens Lauwereys van uit dat het wel niet zal mogen, terwijl dat vaak niet klopt.

Marc van Impe

Bron: MediQuality

10:00 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)