28 maart 2018

Vrouwenbesnijdenis en beroepsgeheim: mag een arts spreken?


Mag een arts zijn beroepsgeheim schenden om erger te voorkomen? De wetsvoorstellen die Kamerlid Els Van Hoof indiende naar aanleiding van ons bericht dat ook in België vrouwenbesnijdenis en -mutilatie wordt toegepast, lokt de afgelopen dagen discussie uit. Mevrouw van Hoof wil dat artsen verplicht zouden moeten worden om vaststelling mutilatie bij hun patiënten te melden bij de politie. In ons land houden dokters angstvallig vast aan een meldingsplicht, al heeft de Orde van Artsen daarin een genuanceerder standpunt dan vermoed wordt.

Michel Deneyer, woordvoerder van de Orde der Artsen, zegt dat het beroepsgeheim niet absoluut is. De arts heeft nooit een aangifteplicht, maar wel een meldingsrecht. De arts moet "als een goede huisvader" een afweging maken tussen de vertrouwensrelatie met de patiënt en een ernstig en dreigend gevaar voor de maatschappij. Voor de patiënt in kwestie zal de melding weinig soelaas brengen, de ingreep is in het slechtste geval onomkeerbaar, maar melding kan herhaling voorkomen. In geval van twijfel raadt hij de arts aan om te overleggen met iemand van de Orde. De huidige regeling maakt het dus al mogelijk dat een arts melding maakt als er een acuut gevaar is voor een mensenleven.

Maar artsen vrezen dat een meldingsplicht contraproductief zou zijn. Zij zijn bang dat met de traditionele arts-patiëntrelatie ook het colloque singulier, de vertrouwensband tussen patiënt en zorgverleners verdwijnt.

Een en ander is gebaseerd op artikel 458bis van het Strafwetboek dat dateert van 8 juni 1867 en dat zijn beurt gebaseerd is op de Code Napoléon. Dat artikel stelt dat "geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd en deze bekendmaken
buiten het geval dat ze worden opgeroepen om in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen kenbaar te maken, worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en een geldboete van honderd tot vijfhonderd euro". Dit spoort met het veel modernere Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens ter bescherming van het privéleven. Het lijkt duidelijk maar dat is het niet echt. Het artikel 458bis conflicteert immers met Art. 422bis van datzelfde Strafwetboek dat "Met gevangenisstraf van acht dagen tot [ een jaar ] en met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die verzuimt hulp te verlenen of te verschaffen aan iemand die in groot gevaar verkeert, hetzij hij zelf diens toestand heeft vastgesteld, hetzij die toestand hem is beschreven door degenen die zijn hulp inroepen. Voor het misdrijf is vereist dat de verzuimer kon helpen zonder ernstig gevaar voor zichzelf of voor anderen. Heeft de verzuimer niet persoonlijk het gevaar vastgesteld waarin de hulpbehoevende verkeerde, dan kan hij niet worden gestraft, indien hij op grond van de omstandigheden waarin hij werd verzocht te helpen, kon geloven dat het verzoek niet ernstig was of dat er gevaar aan verbonden was." De hulpverlening betekent in dat geval schending van het beroepsgeheim. Maar gezien het hier om een noodtoestand gaat , zoals overigens voorzien in 458bis, moet de arts zelf de afweging maken hoe hij in het belang van de patiënt en de openbare orde kan handelen. De arts heeft dus de "mogelijkheid" te spreken. Maar dat betekent dus spreekrecht, geen spreekplicht.

In die zin moet ook artikel 61 van de gewijzigde Code (14.09.2013) begrepen worden: Als een arts vermoedt dat een kwetsbaar persoon mishandeld, misbruikt, uitgebuit, belaagd of verwaarloosd wordt, dient hij onmiddellijk het nodige te doen om deze persoon te beschermen. … Indien de situatie het rechtvaardigt en voor zover de kwetsbare oordeelsbekwame persoon hierin toestemt, contacteert de arts een ter zake bevoegde collega of schakelt hij een specifiek voor die problematiek opgerichte multidisciplinaire voorziening in. Indien een kwetsbaar persoon in een ernstig en dreigend gevaar verkeert of indien er ernstige aanwijzingen zijn van een gewichtig en reëel gevaar dat andere kwetsbare personen het slachtoffer worden van mishandeling of verwaarlozing en indien de arts op geen andere manier bescherming kan bieden, kan hij de procureur des Konings in kennis stellen van zijn bevindingen."

De rechtspraak legt de verantwoordelijkheid voor deze keuze bij de beroepsgeheimhouder. Die moet zelf appreciëren of hij of zij al dan niet het geheim prijsgeeft. Met andere woorden: de arts moet hier zijn verantwoordelijkheid als individu opnemen. Hij moet overigens opletten dat hij zich niet bezondigt aan schuldig verzuim. Want artikel 458bis stelt ook dat soms het verwittigen van gerechtelijke autoriteiten de enige manier is voor de arts om daadwerkelijk hulp te verlenen. Prof. Michel Deneyer: "Uiteraard mag de beroepsgeheimhouder zich in crisissituaties niet achter het beroepsgeheim verschuilen om ongestraft passief toe te kijken. Beroepsgeheimhouders moeten zich bewust zijn van hun verantwoordelijkheid." En hij besluit: "De hele discussie komt uiteindelijk neer op de vraag in welke samenleving we willen leven: een samenleving waarin het beroepsgeheim een lege doos is en artsen tot verlengstukken van justitie verworden of een samenleving waarin patiënten met een gerust hart mogen vertrouwen op het beroepsgeheim van de arts, maar waar die in uitzonderlijke omstandigheden (noodtoestand), gerechtvaardigd is te spreken."

Ik geloof dat dat in deze duidelijk is. Het wetsvoorstel van mevrouw Van Hoof getuigt van een groot moreel bewustzijn en verantwoordelijkheidszin. Het is echter de vraag of de uitzondering die ze wil introduceren, wel zinvol is. Uitzonderingen leiden tot een uitholling van het beroepsgeheim en dat is verontrustend.

Marc van Impe

Lees ook mijn artikel : MediQuality column leidt tot vragen en wetsvoorstellen


Bron: MediQuality

 

10:25 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

27 maart 2018

MediQuality column leidt tot vragen en wetsvoorstellen

 

Nadat De Morgen (DM 26.03.18 :Ook Belgische artsen besnijden vrouwen) en Het Laatste Nieuws gisteren een interview publiceerden met Marc van Impe naar aanleiding van zijn column waarin hij onthulde dat Belgische artsen meewerken aan vrouwenbesnijdenis, reageerde CD&V-Kamerlid Els Van Hoof. Vandaag stelt ze in de commissie Volksgezondheid twee wetsvoorstellen voor die een betere bestrijding van vrouwelijke genitale verminking mogelijk moeten maken.

Een eerste voorstel moet het spreekrecht van medici uitbreiden. Van Hoof: "Het beroepsgeheim doorbreken kan nu alleen als minderjarigen of vrouwen in een kwetsbare positie betrokken zijn. Die beperking willen we uit de wet." Van Hoof vindt dat zorgverleners altijd spreekrecht moeten hebben "ongeacht leeftijd of positie van het slachtoffer". Op die manier zouden meer mensen de stap naar het een procureur-generaal kunnen zetten en aandringen op een gerechtelijk onderzoek. De politica moet toegeven dat zoiets tot op heden niet gebeurt.

"Daarom ook een tweede voorstel dat verplichte registratie van vrouwenbesnijdenissen mogelijk moet maken." Als ziekenhuizen deze gegevens over het aantal en soort van besnijdenissen consequent bijhouden, kan volgens haar wetenschappelijk onderzoek op poten worden gezet en meer gerichte actie ondernomen.

De twee voorstellen kregen eerder reeds een positief advies in de commissie Justitie. Van Hoof: "Ik denk dat er een grote kans is dat de meerderheid zich hier achter zal scharen. Hopelijk worden ze voor de zomer nog gestemd."

Ook N-VA-Kamerlid Valerie Van Peel reageerde op de aanwijzingen dat Belgische artsen vrouwen zouden besnijden. Zij verwacht "een duidelijk signaal" van de Orde der Artsen. "Zij moeten duidelijk maken dat dit een bijzonder ernstig misdrijf is."

Veertien dagen na publicatie van ons intern onderzoek naar de wanpraktijken in sommige artsenpraktijken, komt er dus reactie. Het kabinet De Block liet gisteren al weten dat het een onderzoek instelt.

Marc van Impe


Bron: MediQuality

19:54 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

IT te complex voor huisartsen?



​In de gedigitaliseerde gezondheidszorg staat de positie van de huisarts op het spel. Er is sprake is van een digitaliserings-paradox: de huisarts is tevreden over het dagelijks gebruik van IT, terwijl in de nabije toekomst een digitale transformatie noodzakelijk is om zijn sleutelrol in de eerstelijnszorg te waarborgen. Om het tij te keren moet de beroepsgroep nu op basis van een heldere toekomstvisie op regionaal niveau aan de slag met landelijke support. Dit concludeert Nictiz naar aanleiding van een onderzoek in deze whitepaper ‘Toekomst digitalisering eerstelijnszorg Huisartsen’.

Er is echter in de sector (huisartsen en IT-leveranciers) iets bijzonders aan de hand. Om te willen en te kunnen veranderen moet het "probleem" duidelijk zijn en de last worden ervaren. Geconcludeerd wordt dat de "pijn" op het gebied van digitalisering op dit moment (nog) onvoldoende wordt gevoeld. Zicht op het probleem en een breed gevoel van urgentie "sense of urgency" ontbreekt. De huisarts is dagelijks druk om de zorg voor de patiënten goed uit te voeren. De afzonderlijke systemen die daarbij worden gebruikt, beschikken over voldoende functionaliteit om de dagelijkse werkzaamheden te ondersteunen.

Daarbij wordt er door huisartsen veel waarde gehecht aan routine en vasthouden van het goede en het bekende. In een interview werd aangegeven dat ‘'je raakt gewend aan het ongemak dat je met IT hebt''. Huisartsen zijn niet per definitie IT-minded. IT en de visie daarop zit niet in de opleiding en de dagelijkse routine. Ook is de "winst" om op het gebied van IT te veranderen onvoldoende aanwezig en niet duidelijk. Een huisarts, HA-praktijk, zorggroep en gezondheidscentrum die van IT-leverancier verandert, haalt extra werk, kosten en risico's binnen de muren van zijn/haar onderneming. Hij/zij wordt, zoals een van de geïnterviewden aangaf, gevraagd om anders te leren zwemmen zonder dat duidelijk is of de overkant met de andere "slag" wordt gehaald. Je weet wat je hebt en niet wat je krijgt. Inzicht ontbreekt in alternatieven, niet duidelijk is de continuïteit en strategie van IT-leveranciers en onbekend is waar "digitalisering" zich de komende jaren naartoe ontwikkeld.

De sector (eerste lijn en IT-markt) lijkt door de ontstane situatie een richting te zijn ingeslagen, waarbij de focus primair op de korte in plaats van de lange termijn wordt gelegd. Wet- en regelgeving, integratie en het oplossen van speerpunten (o.a. verhuisberichten-problematiek) zijn de belangrijkste prioriteiten. Vernieuwing vindt ongericht plaats en wordt beperkt door de kaders waarbinnen huisartsen en IT-leveranciers acteren (o.a. visie, structuur, cultuur, mensen en middelen).

Geconcludeerd wordt dat er ten aanzien van de eerstelijnszorg IT sprake is van de zo genaamde "digitaliserings-paradox":

‘' …….een paradoxale situatie is ontstaan: er is tevredenheid over het dagelijks gebruik van IT en gewenning is ontstaan aan "ongemak" versus in de nabije toekomst is een ‘'digitale transformatie'' noodzakelijk zodat de eerste lijn de sleutelrol waar kan maken die zij strategisch en maatschappelijk in de zorg krijgt toegedicht."

Uit het rapport komen vijf (IT-)problemen in de huisartsenzorg naar voren.

Allereerst is er een beperkte ontwikkelcapaciteit voor vernieuwing bij IT-leveranciers. Daarnaast moeten huisartsen volgens het Nictix meer investeren in IT en in ‘organisatorische veranderingen die voor innovatie nodig zijn'.

Ook ontbreekt het aan een ‘landelijk gedragen digitale toekomstvisie en meerjarige roadmap voor de eerste lijn' en organiseren huisartsen zich onvoldoende eenduidig als klant richting IT-leveranciers. Tot slot is de marktwerking beperkt, slechts 3 tot 5 procent van de huisartsen verandert jaarlijks van IT-leverancier.

De onderzoekers stellen twee opties voor om een en ander aan te pakken: Of investeren in ontwikkeling van eerstelijnssystemen om tot goede regionale oplossingen te komen, of juist door samen te werken met krachtige partijen met wortels in tweede of derdelijnszorg (zoals epd's). Nictiz roept de verschillende eerstelijnspartijen op om positie te nemen en snelheid te maken met het in discussie gaan met politici, verzekeraars en ketenpartners over een concrete aanpak van de digitalisering van de eerstelijnszorg.

Wat betreft IT, liepen huisartsen volgens de onderzoekers altijd voorop. ‘In 2017 zijn het de huisartsen die digitaal het grootste aantal en de meest complete dossiers bijhouden van patiënten in Nederland in de huisartsinformatiesystemen (his). Voor huisartsen is het IT-landschap door de jaren heen echter steeds complexer geworden. Inmiddels hebben huisartsen (inclusief andere eerstelijnsprofessionals) te maken met een breed scala aan losstaande IT-systemen en leveranciers. Ondanks de complexiteit is de huisarts tevreden en ontbreekt op dit moment het gevoel van urgentie om te willen en te kunnen veranderen. De focus ligt primair op de korte in plaats van de lange termijn', aldus de rapporteurs.

De onderzoekers stellen verder dat vernieuwing beperkt blijft tot de dokterspraktijk en dat een heldere visie ontbreekt. DIT, terwijl er buiten de praktijk een digitale transformatie plaatsvindt op zowel internationaal, nationaal als regionaal niveau. Vernieuwing is volgens de rapporteurs nodig om te kunnen voldoen aan de Europese Verordening Gegevensbescherming (AVG/GDRP), borging van betrouwbaarheid, volledigheid en integriteit van data conform ISO27001 en NEN7510 en aan wettelijke veranderingen rondom het beschikbaar stellen van zorggegevens aan de patiënt. ‘Juist de huisartsenpraktijk zou hier onderdeel van moeten zijn, want alleen al op regionaal niveau werkt de huisarts samen met verschillende actoren, waaronder patiënt, ziekenhuis, verpleeg-, verzorgingshuizen en thuiszorgorganisaties, apotheek, GGZ, fysiotherapeut en gemeente', besluiten ze.

Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

13:05 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)