15 juni 2016

Slacht de struisvogels

Structurele werkloosheid, ongezond wonen, chronische ziekten, geweld en ongevallen, op al deze vijf punten scoren Brussel en Wallonië slecht. Eén op vijf Waalse kinderen leeft in een gezin waar niemand werkt. Het staat in de krant. Dus zal het waar zijn. Bijna één op vijf Waalse kinderen (18,5%) en één op vier Brusselse (25,7%) groeien op in een gezin waar niemand werkt. In geen enkel Europees land ligt dat aandeel hoger. Het contrast met Vlaanderen kan moeilijk groter zijn.

In het Vlaams Gewest leeft slechts één op de 15 (6,6%) minderjarigen in een gezin waar niemand aan de slag is. Dat schreef De Tijd gisteren op basis van cijfers van Vlaamse Dienst Arbeidsbemiddeling VDAB.
De slechte Waalse prestatie is volgens professor Luc Sels van Steunpunt Werk (WSE) vooral een gevolg van de de-industrialisering, maar de schuld ligt ook bij de politiek. "Wallonië is veel later begonnen met het intensief begeleiden van werkzoekenden naar een baan. Bovendien is de kwaliteit van het onderwijs er ondermaats." Het Steunpunt Werk en Sociale Economie (WSE) is door de Vlaamse Regering erkend als Steunpunt Beleidsrelevant Onderzoek. Het is een interuniversitair adviesorgaan dat voorbereidende studies maakt. Dat betekent dus dat een en ander in de maak is.
Vanuit Waals perspectief bekeken voorspelt dit weinig goeds. De teneur is gezet. "De cijfers wijzen op een marginalisering van een deel van de bevolking, die volledig van de arbeidsmarkt is afgesloten", zegt Willem Vansina van de VDAB. "Voor kinderen uit zulke gezinnen is het zeer moeilijk om uit hun benarde situatie te geraken. De armoede wordt van generatie op generatie doorgegeven."
Dezelfde tendensen vertalen zich in de gezondheidsstatistieken. Terwijl 21% van de inwoners van het Vlaamse Gewest niet tevreden is over hun gezondheid, gaat het in het Brusselse en het Waalse Gewest om 26% van de bevolking. Inwoners van het Brussels Gewest melden vaker problemen in hun woonomgeving (46% tegenover 26% in het Waals Gewest en 21% in Vlaams Gewest), en melden vaker thuis gehinderd te zijn door omgevingsfactoren (49% tegenover 27% in het Waals Gewest en 23% in Vlaams Gewest).
Inwoners van het Brussels Gewest (21%) hebben het vaakst comfortproblemen in hun woning, gevolgd door de inwoners van het Waals Gewest (13%) en van het Vlaams Gewest (8%). Terzijde: roken in de woning komt minder frequent voor bij huishoudens die wonen in het Vlaams Gewest (20%) dan bij huishoudens die wonen in het Brussels (26%) en in het Waals Gewest (27%).
En het percentage dat niet dagelijks hun woning verlucht, is hoger bij inwoners van het Waals Gewest (21%) dan bij inwoners van het Vlaams (12%) en van het Brussels Gewest (15%). Voor heel wat chronische aandoeningen is de prevalentie hoger in Wallonië dan in Vlaanderen. Toch zijn er aanwijzingen dat de verschillen tussen Vlaanderen en Wallonië kleiner worden. Zo kwamen diabetes, ernstige hoofdpijn zoals migraine, chronische vermoeidheid en osteoporose in 1997 nog significant vaker voor in Wallonië dan in Vlaanderen, terwijl dit in 2008 niet langer het geval is.
In België heeft 7% van de bevolking medische zorg nodig ten gevolge van een ongeval, en in 56% van de gevallen maakte dit een opname in een ziekenhuis of een andere gezondheidsvoorziening nodig. Terwijl in 44% van de gevallen een dokter of verpleegster werd geraadpleegd. Het percentage gewonden dat moest worden opgenomen in een ziekenhuis of een andere gezondheidsvoorziening is echter significant hoger bij de laagst opgeleiden (78%) dan bij de hoogst opgeleiden (48%). Daarnaast is de prevalentie van ongevallen hoger in het Vlaams Gewest (8%) dan in het Brussels en Waals Gewest (beide 6%) en dit vooral voor ongevallen in de vrije tijd (3% in het Vlaams Gewest tegen over 2% in het Waals Gewest).
Wel is het percentage van de ongevallen waarvoor een opname in een ziekenhuis of een andere gezondheidsvoorziening noodzakelijk was, lager in het Vlaams Gewest (45%) dan in het Brussels (74%) en het Waals Gewest (77%). Daarnaast is het percentage slachtoffers van geweld lager in het Vlaams Gewest (9%) dan in het Waals (12%) en het Brussels Gewest (15%).
Het percentage slachtoffers van diefstal, inbraak of een (gewapende) overval is sinds 2004 gestegen. (3% tegenover 4% in 2013) Deze stijging is gerelateerd met de stijging van dit type geweld in het Waals Gewest (van 3% in 2004 tot 5% in 2013).
Geweld thuis wordt ook vaker gerapporteerd in het Brussels en het Waals Gewest (beide 6%) dan in het Vlaams Gewest (4%). Geweld is een gezondheidsprobleem dat niet genegeerd mag worden. De cijfers hierboven zijn gebaseerd op face-to-face interviews, door het WIV. Gezondheidswerkers hebben een rol bij het identificeren en documenteren van geweld dat in de gemeenschap bestaat, vooral de verborgen of "privé" vormen van geweld, inclusief kindermishandeling, partnerintimidatie en ouderenmisbruik. Volksgezondheid moet zoeken naar interventies met nieuwe en creatieve oplossingen zodat beleidsmakers van Welzijn –een regionale bevoegdheid- de nodige maatregelen kunnen nemen.
Het valt ook op dat wat dit betreft er een totale verschillende aanpak is van het preventiebeleid in Vlaanderen, Brussel en Wallonië. Het wordt hoog tijd dat de gemeenschappen en gewesten van elkaar gaan leren. Anders dreigen bevolkingsgroepen buitenstaanders te worden in een nationale gemeenschap waar ze bij horen! Het gevaar is reëel dat men hen etnisch gaat profileren. Dit is zeer verleidelijk.
Als ervaringskennis de perceptie gaat bepalen drijft men steeds verder af van objectiviteit en rechtvaardigheid. Maar dat mag dan weer geen excuus zijn voor de beleidsmakers en politici die met minder positieve cijfers geconfronteerd worden, om de kop in het zand te steken. Het gaat duidelijk minder goed in het Zuiden en het Centrum van het land. Doe daar dan wat aan!


Marc van Impe

Bron: MediQuality

 

10:28 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (1)

Qu'ils cessent de faire l'autruche !

Un enfant sur cinq en Wallonie vit au sein d‘une famille où personne ne travaille. C'est dans le journal. Donc ça doit être vrai. Le chômage structurel, l’habitat insalubre, les maladies chroniques, la violence et les accidents, Bruxelles et la Wallonie enregistrent de bien piètres résultats pour chacun de ces cinq points. Il est grand temps que les responsables politiques régionaux sortent la tête du sable. Qu'ils cessent donc de faire l'autruche!

Près d'un enfant wallon sur cinq (18,5%) et un sur quatre bruxellois (25,7%) vit dans une famille où personne n'a d'emploi. Aucun autre pays européen n'affiche un pourcentage plus élevé dans ce domaine. Le contraste avec la Flandre peut difficilement être plus grand. En Région flamande, un mineur sur 15 (6,6%) seulement vit dans une famille dont aucun membre n'a un boulot. C'est ce qu'écrivait ces derniers jours 'De Tijd' sur la base des chiffres fournis par le VDAB, le service d'emploi public de la Flandre.

La mauvaise prestation wallonne est surtout une conséquence de la désindustrialisation, mais la faute en revient aussi à la politique, selon le professeur Luc Sels de ‘Steunpunt Werk' (WSE, Point d'Appui Travail). « La Wallonie a commencé beaucoup plus tard à accompagner intensivement les demandeurs d'emploi dans la recherche de l'embauche. La qualité de l'enseignement y est de surcroît en dessous de la moyenne. »  Le ‘Steunpunt Werk en Sociale Economie (WSE, Point d'Appui du Travail et de l'Économie Sociale) est reconnu par le gouvernement flamand comme un Point d'Appui pour la Recherche Stratégique (Steunpunt Beleidsrelevant Onderzoek.)

Il s'agit d'un organe consultatif interuniversitaire qui réalise des études préparatoires. Cela signifie que l'une ou l'autre chose est en cours de réalisation. Vu d'une perspective wallonne, cela n'augure pas grand-chose de bien. La teneur est donnée. « Les chiffres indiquent une marginalisation d'une partie de la population qui est complètement coupée du marché du travail, » indique Willem Vansina du VDAB. « Les enfants issus de telles familles ont beaucoup de mal à sortir de leur situation précaire. La pauvreté se transmet de génération en génération. »

Les mêmes tendances se retrouvent dans les statistiques de la santé publique. Alors que 21% des habitants de la Région flamande ne sont pas satisfaits de leur état de santé, cette proportion grimpe à 26% de la population dans les Régions bruxelloise et flamande. Les habitants de la Région bruxelloise citent plus souvent des problèmes liés à leur habitat (46% contre 26% en Région wallonne et 21% en Région flamande), et évoquent le fait d'être plus souvent gênés à domicile par des facteurs liés aux nuisances ambiantes dans leur quartier (49% contre 27% en Région wallonne et 23% en Région flamande). Les habitants de la Région bruxelloise (21%) ont plus souvent des problèmes de confort à domicile, suivis par les habitants de la Région wallonne (13%) et ceux de la Région flamande (8%).

En passant, notons que les ménages flamands habitant la Région flamande fument moins à domicile (20%) que les ménages qui habitent Bruxelles (26%) et que ceux de la Région wallonne (27%). Et le pourcentage des habitants qui n'aèrent pas quotidiennement leur domicile est plus élevé chez les habitants de la Région wallonne (21%) que chez ceux habitant la Région flamande (12%) et chez ceux de la Région bruxelloise (15%). Il y a aussi une prévalence de la Wallonie en matière d'affections chroniques par rapport à la Flandre. Mais les différences s'amenuisent cependant entre la Flandre et la Wallonie, selon certaines indications. Les cas de diabète, de maux de tête graves, comme la migraine, de fatigue chronique et d'ostéoporose étaient encore significativement plus élevés n Wallonie qu'en Flandre en 1997, alors que ce n'était plus le cas en 2008.

En Belgique, 7% de la population nécessite des soins médicaux à la suite d'un accident et cela implique une hospitalisation ou d'autres types de soins de santé dans 56% des cas. Alors que 44% des personnes concernées consultent de préférence un médecin ou une infirmière. Le pourcentage de blessés devant être admis dans un hôpital ou dans une autre infrastructure de soins de santé est significativement plus élevé chez les personnes ayant reçu un enseignement de base (78%) que chez les personnes qui ont pu faire des études supérieures (48%). Notons encore que la prévalence d'accidents est plus élevée en Région flamande (8%) que dans les Régions bruxelloise et wallonne (6% dans les deux cas), et ceci surtout pour ce qui concerne les accidents survenus dans le cadre d'activités liées aux loisirs (3% en Région flamande contre 2% en Région wallonne).

Le pourcentage d'accidents nécessitant une admission à l'hôpital ou dans une autre infrastructure de soins de santé était cependant inférieur en Région flamande (45%) qu'à Bruxelles (74%) et qu'en Région wallonne (77%). Le pourcentage de victimes de la violence était en outre plus bas en Région flamande (9%) qu'en Wallonie (12%) et qu'en Région bruxelloise (15%). Le pourcentage de victimes de vols, de cambriolages et d'agressions (à main armée) a augmenté depuis 2004 (de 3% à 4% en 2013). Cette augmentation est liée à celle de la hausse de ce type de violence en Région wallonne (de 3% en 2004 à 5% en 2013). Des faits de violence domestique ou conjugale sont aussi signalés plus souvent dans les Régions bruxelloise et wallonne (5% dans les deux cas) qu'en Région flamande (4%).

La violence et aussi un problème de santé qu'il convient de ne pas ignorer. Les chiffres ci-dessus sont basés sur des interviews face-à-face réalisés par l'ISP (Institut Scientifique de Santé Publique). Les travailleurs du secteur de la santé ont un rôle à jouer dans l'identification et la documentation de la violence qui sévit dans la société, et surtout les formes cachées ou « privées » de violence, y compris la maltraitance des enfants, les intimidations infligées par l'un ou l'autre partenaire d'un couple, et les abus commis sur les personnes âgées. La Santé publique doit trouver des moyens d'intervenir en proposant des solutions novatrices et créatrices afin de permettre aux responsables des politiques de Bien-être – une compétence régionale – de prendre les mesures qui s'imposent.

Il est aussi frappant de constater dans ce contexte que les manières de concevoir la politique de prévention sont totalement différentes en Flandre, à Bruxelles et en Wallonie. Il est plus que temps que les communautés et les régions tirent des leçons de ce que font les unes et les autres. Faute de quoi des groupes entiers de la population risquent de se retrouver simples spectateurs dans une société nationale à laquelle ils appartiennent ! Ils sont réellement exposés au danger d'être profilés sur une base ethnique.

C'est bien sûr fort tentant. Mais si les connaissances acquises par l'expérience doivent déterminer la perception, nous nous éloignerons de plus en plus loin de l'objectivité et de l'équité. Mais cela ne doit pas être une nouvelle excuse pour que les décideurs et les politiciens qui sont confrontés à des chiffres moins positifs plongent la tête dans le sable. La situation est de toute évidence moins favorable au sud et dans le centre du pays. Prenez donc les choses en main alors !

Marc van Impe

Source MediQuality

09:05 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

14 juni 2016

Het verband tussen kip curry en de psychoanalyse

Ik ben onderweg naar Wallonië en rijd net het dal van Wellin in als de telefoon gaat. Hij belt naar aanleiding van mijn stukje over de pedante psychiater Erik Morsch, alias Rozing, die meende te moeten mengen in het Belgische euthanasiedebat. “Wat ik toch tegen psychiaters heb?” vraagt hij, “Daar moet toch een jeugdtrauma achter zitten?” Om te beginnen heb ik niets tegen maar iets mét psychiaters. Letterlijk dan nog wel. En dat bevalt me best. En dat jeugdtrauma? Ach, dat is een mooi verhaal.


Dat komt zo: Toen ik vijftien was, was ik al een fervent lezer. Ik verslond alles. De Rode Ridder, Pilote, Life, Salut les Copains, Der Stern, P.G. Woodhouse, San Antonio, maar ook Voltaire's Candide, Huizinga's Ondergang van het Avondland, Droomduiding van Freud, Kazantzákis, Kerouac, de Russen, het Pantheon van de Nobelprijswinnaars en Hugo Claus.


Ook mocht ik uit de schoolbibliotheek graag martelarenverhalen lezen –ik zat op een katholiek internaat- hoe gruwelijker, des te beter. Het was de enige manier om te ontsnappen aan het dagelijkse bestaan dat begon met een vroegmis en via rituele koude wasbeurt, rondjes lopen op het binnenplein, lauwe koffie, lessen Latijn en Grieks, gehaktballen in vloeipapiersaus, eindigde met vespers en handen boven de lakens in een chambrette van 1.5 op 2. Omwille van dit atypische leesgedrag maakten mijn cipiers van het Heilige Hart zich zorgen, ook omdat ik geen deel wou uitmaken van de clubjes die op een paterskamer sigaartjes rookten en andere onnoemelijke dagelijkse zonden begingen.


Ik leefde liever in mijn literaire, ingebeelde droomwereld. Op de duur werd het teveel. Toen ik de zoveelste verplichte boekbespreking over de Congolese avonturen van een missionaris weer eens niet gemaakt had en zei dat ik alleen nog wou schrijven als het iets opbracht, ontplofte het hoofd van pater Hecht. En zo belandde ik weer thuis, van school weg gezonden, wegens persistent recalcitrant gedrag. Mijn ouders werd een goede kinderpsychiater aangeraden.


Zo togen we voor verschillende avondlijke sessies naar de Antwerpse Markgravenlei. Terwijl mijn ouders in de antichambre een oude Paris Match uit het hoofd leerden, had ik gesprekken met een jonge veertiger met een Himmler-brilletje. Hij liet me een boerderij bouwen met plastic koeien en varkens. Ontlokte me de meest waanzinnige antwoorden op de Rorschach-test. Deed me associatief fantaseren. Ik vertelde hem over een meisje dat in een melkfles plast. Een verhaaltje dat ik leende van Claus. Dat vond hij bijzonder interessant. Ik herinner me dat we na de avondlijke sessies telkens bij een Chinees uit eten gingen. Het was onveranderlijk nr 6 loempia met zoetzure saus en nr 21 kip met curry – met frieten. Op een avond zette mijn vader een uitroepteken achter mijn eerste ervaringen met de psychiatrie. Dat was dus ook het einde van mijn culinair uitstapje.


Ik heb er niets kwalijks aan overgehouden denk ik. Behalve een sterk ontwikkelde zin voor humor en controverse en een afkeer van pedanterie en pose. En van kip in een groenig gele saus die naar ik later leerde dat ze niets maar dan ook niets met de Chinese keuken te maken heeft. Zoals zovele schijnwaarheden die ze ons ingelepeld hebben.


Ik leef en ik droom goed. Ik lees en herlees nog altijd Natuurgetrouw, de columns van Hugo Claus. Als ik schrijf, brengt het wat op. Ik hou me aan het adagio van de Griekse schrijver: In order to succeed, we must first believe that we can. Since we cannot change reality, let us change the eyes which see reality. A person needs a little madness, or else they never dare cut the rope and be free.


Voor de rest moet ik gewoon opletten dat ik niet teveel hoest in mijn slaap.


Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

 

11:16 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)