08 februari 2016

Viersterrenhotels zijn het smerigst

Nooit teruggekomen van een citytrip en de volgende week een snotvalling of erger? Lees verder, dan weet u nu waarom. Uit een nieuw rapport van TravelMath.com blijkt dat hotelkamers niet bepaald de meest hygiënische plekken op aarde zijn. En luxe is geen garantie, integendeel. Driesterrenhotels zijn schoner en hygiënischer dan vier- of vijf-sterrenetablissementen. Onrustwekkender nog is de vaststelling dat de meeste hotelkamers smeriger zijn dan een doorsnee vliegtuigtoilet, wat al niet bekend staat als de meest zuivere plek op reis. De inspecteurs van TravelMath richtten hun aandacht vooral op afstandsbedieningen, wastafels, meubilair en telefoons. Wil je in een hygiënische omgeving verblijven, blijf dan thuis, is de conclusie.

Smerig is echt smerig, het gaat dus niet om pluisjes en stof, maar om bacteriën, virussen en parasieten die onder andere luchtwegeninfecties, huidinfecties en zelfs longontsteking veroorzaken. Als toets werd het aantal CFU's of colony-forming units per vierkante duim gemeten. Eén vaststelling: door de band genomen zijn wastafels en afstandsbedieningen  met 1 miljoen CFU's per duim ‘doorsnee' smerig.  In driesterrenhotels zijn de badkamers het smerigst van de geteste oppervlakten, maar in viersterrenhotels zijn die nog smeriger. En in vijfsterrenhotels kan je de afstandsbediening van je TV maar beter niet vastnemen.

TravelMath geeft ook advies hoe je onbesmet een hotelovernachting doorstaat:

* Was regelmatig je handen als je iets aangeraakt hebt.

* Neem altijd een antibacteriële spray mee en gebruik ontsmettingsgel.

* Neem altijd een pakje antibacteriële doekjes mee.

* Desinfecteer bij het betreden van je hotelkamer altijd je wastafel, het meubilair en de telefoon.

* En omdat het geen goed idee is om een afstandsbediening met spray te bewerken, neem je best een aantal plastic zakjes of een pakje latex handschoenen  mee. Pas dan zappen.

Een prettig verblijf gewenst.

Marc van Impe



Bron: MediQuality

19:05 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

07 februari 2016

Depressie en screening door huisartsen: federale en Vlaamse regering zijn voor, Franstaligen wachten af

Vorige vrijdag opperden we het idee om – naar Nederlands en Amerikaans voorbeeld - patiënten door hun huisarts op depressie te laten screenen. Wij vroegen de federale minister en haar ambtgenoten van de gewesten hoe zij daarop reageren. Van twee excellenties kregen we prompt een antwoord. Maggie De Block en Jo Vandeurzen staan in principe niet negatief maar hebben wel enkele bedenkingen.

"Onze huisartsen doen het goed!" zegt Maggie De Block, zelf huisarts. "Ze zijn erg toegankelijk en voor vele patiënten vormen zij de vertrouwenspersoon bij uitstek in eerste lijn en daarom zijn zij ook dikwijls de eersten om psychische problemen op te merken. In de opleiding tot huisarts wordt de nodige aandacht besteed aan de psychosociale context. Dit helpt huisartsen later om psychische problemen tijdig op te sporen en om patiënten door te verwijzen indien nodig."

De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Jo Vandeurzen erkent dat er op dit moment in Vlaanderen niet systematisch wordt gescreend naar depressie. "Screenen heeft een aantal belangrijke voordelen: doordat de ziekte of het risico eerder wordt vastgesteld kunnen verwikkelingen of een (zwaardere) behandeling vermeden worden en is de kans op herstel groter," zegt hij.

"Toch is geen enkel screeningsinstrument 100% veilig of betrouwbaar. Screenen heeft dus ook nadelen: vals-negatieven en onterechte geruststelling, vals-positieven en onnodige ongerustheid, overdiagnose en -behandeling en de kost die daarbij komt kijken, verwikkelingen bij toepassen van het screeningsinstrument. Het opsporen van risico's of ziekten gebeurt binnen ons gezondheidszorgsysteem courant binnen de arts-patiëntrelatie. Soms wordt screening ook aangeboden of aanbevolen aan een grote groep personen die geen klachten of symptomen  hebben (de doelgroep).

Dit is bevolkingsonderzoek. In een  dergelijk onderzoek wordt de hele doelgroep blootgesteld aan de eventuele nadelen van de screening, maar ondervinden enkele personen uit die doelgroep er voordelen van. Voordat men bevolkingsonderzoek organiseert, moet men dus zeker zijn dat de voordelen opwegen tegen de nadelen."

Vandeurzen concludeert dat systematische screening kan wanneer men beschikt over een kwaliteitsvolle screeningstool en wanneer men een specifieke doelgroep beoogt. Dat instrument bestaat, zegt Maggie De Block: "Er bestaan ook screeningsvragenlijsten voor de eerste lijn waarmee huisartsen depressie kunnen opsporen bij hun patiënten. Met behulp van de PHQ-9 (Patient Health Questionnaire van het National Institute for Health and Care Excellence, kortweg NICE) kunnen ze bijvoorbeeld het onderscheid maken tussen normale aanpassingsproblemen (bijv. bij rouwverwerking) en depressieve symptomen bij hun patiënten."

Maar er staat een en ander te gebeuren. "Tegelijkertijd hervormen we de hele sector van de geestelijke gezondheidszorg , zowel voor kinderen, jongeren als voor volwassenen, in samenwerking met de deelstaten en met de sector zelf. We investeren in een betere samenwerking en coördinatie op het terrein en zetten volop in op de verdere ‘vermaatschappelijking' van de zorg. In de netwerken worden ook de huisartsen actief betrokken.

Een belangrijk aspect in dit hele verhaal is het goed informeren van de burgers. Voor de geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jongeren willen we netwerken op het terrein krijgen en middelen ter beschikking stellen om experts in te zetten die in scholen, in OCMW's, enzovoort, gaan uitleggen welke signalen tonen dat een kind of jongere psychische hulp nodig heeft.

Al die inspanningen zullen helpen om het taboe te doorbreken dat nog te vaak rond psychische problemen hangt, waardoor mensen vlugger professionele hulp zullen zoeken. Door de investeringen in crisisopvang krijgen de netwerken op het terrein de middelen om snel in te grijpen bij crisismomenten, bijvoorbeeld bij zware gevallen van depressie met suïcidale neigingen."

Vandeurzen wijst erop dat systematische screening inclusief eventuele vervolgonderzoeken ook een financiële consequentie hebben. "Met andere woorden de baten van screening moeten opwegen ten opzichte van de kosten. Op dit moment is er onvoldoende duidelijkheid over die eindbalans voor wat depressie betreft," aldus de Vlaamse minister.

De Vlaamse regering is wel bezig met de opzet van een specifiek screeningprogramma bij een nauw omschreven doelgroep: " We bekijken in het kader van de resolutie postpartum depressie, die door het Vlaams Parlement werd goedgekeurd, wel op welke wijze zwangere en pas bevallen vrouwen beter begeleid kunnen worden bij het voorkomen of hoe mentale problemen vroeg opgespoord kunnen worden. De Vlaamse Wetenschappelijke Vereniging voor Jeugdgezondheidszorg (VWVJ) onderzoekt, in het kader van haar beheersovereenkomst met de Vlaamse overheid op welke wijze vroeg-signalering van psychosociale problemen opgenomen kan worden door de centra leerlingenbegeleiding. Bij dit onderzoek gaat de aandacht ook naar het zorgaanbod zodat gericht kan worden doorverwezen."

Van Waalse en Brusselse zijde kwam er tot nu toe nog geen reactie. Daar houdt men zijn antwoord blijkbaar in beraad.

Marc van Impe

Tot slot: tijdig detecteren en ingrijpen kan ook zonder systematische screening. Domus Medica heeft een aanbeveling voor diagnose en behandeling van depressie in de huisartsenpraktijk en vormingen rond diagnose en behandeling van stress en surmenage, angstklachten en slapeloosheid. Daarnaast heeft  Domus Medica in de Gezondheidsgids depressie opgenomen, waarbij aan de hand van twee vragen gepeild wordt naar depressiviteit.

Ook met het inschakelen van eerstelijnspsychologen bijvoorbeeld wordt onmiddellijk advies en kortdurende hulp geboden in huisartsenpraktijken of in wijkgezondheidscentra. In de loop van één à twee gesprekken brengt de eerstelijnspsycholoog de klacht en/of problemen helder in kaart, en bekijkt wat er gedaan kan worden om het probleem te overwinnen. Indien nodig verwijst hij de patiënt door naar meer gespecialiseerde hulp.


Bron: MediQuality

19:02 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

06 februari 2016

Screening op depressie door huisartsen?


Depressie wordt de volksziekte nummer één in 2020, zegt de Wereldgezondheidsorganisatie. 20 procent van de Westerse bevolking krijgt ooit in zijn leven een depressie. 'De manier waarop met depressie wordt omgegaan, is te vergelijken met kanker in de jaren zestig: toen praatte iedereen over 'K'.' Dat zegt psychiater Esther van Fenema die op maandag 25 januari in Amsterdam Blue Monday, het eerste Depressiegala ter wereld organiseerde. Daar werd ook gepleit voor een algemene screening van de bevolking door de huisarts. Het idee komt uit de VS.

Daar pleit de adviesorganisatie voor preventieve gezondheidszorg, de US Preventive Services Task Force (USPSTF), dat alle volwassenen preventief worden gescreend op depressie. Nederlanders met een verhoogde kans op een depressie worden vanaf volgend jaar preventief doorgelicht door hun huisarts. Dat is de bedoeling van de 'Zorgstandaard Depressie' die (huis)artsen, zorgverzekeraars en patiëntenorganisaties aan het ontwikkelen zijn. Basis is de NHG-Standaard Depressie (tweede herziening) van Van Weel-Baumgarten e.a. die praktisch blijkt en werkzaam te zijn.  De standaard beperkt zich niet tot depressie, maar bespreekt ook het beleid bij depressieve klachten.

Er ligt meer nadruk op de ondersteuning van het zelfmanagement en de eigen verantwoordelijkheid van de patiënt in het herstelproces. De standaard is terughoudender met het initieel voorschrijven van geneesmiddelen en kent een grotere plaats toe aan kortdurende psychologische behandeling. Huisartsen in Amsterdam deden het experiment al en legden al hun patiënten depressie-vragenlijsten voorl. Er werden wel meer depressies opgespoord, maar de patiënten weigerden zich te laten behandelen. Van alle Nederlanders met depressie krijgt 60 procent zorg en 40 procent niet.

In Vlaanderen krijgen maar liefst 20 procent van de vrouwen en 10 procent van de mannen ooit in hun leven met een vorm van depressie te maken. In een studie uit 2011 is er zelfs sprake van 1 op 7. In Wallonië, in 2008, was 11,5% van de vrouwen en 7,3% van de mannen depressief, tegenover respectievelijk 8,8% en 4,7 % in Vlaanderen. Volgens het Riziv waren er in de loop van de eerste acht maanden van 2013 1.352.378 patiënten of 12,1% van de totale Belgische bevolking in behandeling voor depressie. Ter vergelijking: in Nederland zijn dat er 800.000 en dat kost de Nederlandse samenleving jaarlijks 2,8 miljard euro aan behandelkosten en indirecte kosten zoals het verlies van arbeidsproductiviteit.

Volgens de Amerikaanse experts van de USPSTF valt er met grote zekerheid gezondheidswinst te boeken als depressies vroegtijdig worden opgespoord en behandeld. In de VS gaat het om 45 miljard dollar.

De Leidse depressie-expert en psycholoog Willem van der Does is huiverig voor een algehele screening. 'Een groot aantal vals-positieven zal het hele systeem gaan verstoppen.' Dat gevaar is minder groot als de screening wordt beperkt tot kwetsbare groepen.

Hoe zit dat met onze huisartsen in België, vroegen we dokter Herman Moeremans van het SVH? Zijn er regionale verschillen? Hebben Noord en Zuid een andere aanpak? "Dit is alleszins een idee dat ons de moeite waard lijkt om het verder te onderzoeken," zegt dokter Moeremans. "Uiteraard staan we positief voor elke opdracht in de gezondheidszorg, die mee de centrale positie van de huisarts als eerste vertrouwenspersoon van de patiënt versterkt. Wanneer we over depressie praten - stel dan wat ruimer "geestelijke gezondheid" - dan staan we toch heel dicht bij de zeer persoonlijke en intieme sfeer van de betrokken patiënt - in preventie moeten we zelfs zeggen "potentiële patiënt". Met die laatste toevoeging zit ik meteen vrij dicht bij de "huivering" van die "Leidse" expert die helemaal niet gewonnen is voor een "algehele screening".

Puur praktisch stel ik mij ook de vraag hoe je een "algehele screening" op dit domein ga kunnen realiseren of benaderen." Dokter Moeremans oppert ook het idee dat  er wel duidelijke richtlijnen, protocollen of een degelijke werkwijze moet zijn. "Ook met de Nederlandse standaarden bij de hand is het immers zo dat een aantal van die criteria als doel hebben om subjectieve elementen een "cijfer" te geven. Het gebruik van schalen en dergelijke zijn instrumenten om dat "geestelijke" tastbaarder te maken. Depressie - en bij uitbreiding geestelijke gezondheid - zal altijd een zeer persoonlijk, en dus subjectief, element blijven bevatten. Pogingen om daar een objectievere aanpak in te vinden zijn verdienstelijk. Maar nooit zal je kunnen vermijden dat net op dit terrein dat subjectieve belangrijk blijft.

En dan belanden we uiteindelijk ook bij de eigenheid van de huisarts. Wanneer huisartsen ook vandaag een belangrijke rol spelen in eerste opvang en behandeling van depressie (en voeg er dan gerust ook termen als surmenage en emotionele decompensatie bij -  we kunnen dit lijstje zeer creatief aanvullen…) dan moeten we toegeven dat onze persoonlijk contact - persoonlijke betrokkenheid bij de patiënt erg belangrijk is. Ook in dit domein hebben huisartsen hun moeilijk definieerbare pluis-of-niet-pluis-gevoel. Zonder depressieschalen te overlopen en af te vinken beslist een huisarts nu al vaak na twee zinnen in een gesprek dat er depressieve gevoelens in het spel zitten…"

Uiteraard stelt de syndicalist in dr. Moeremans, die voorzitter is van het Syndicaat van Vlaamse Huisartsen, de vraag "hoe die (nieuwe) opdracht gaat vergoed worden?" "Het gaat hier over preventie: strikt genomen een ‘gemeenschapsmaterie'. In Vlaanderen weten we dat er geen traditie is om ‘opdrachten' rechtstreeks aan huisartsen te vergoeden. En op het federale niveau zullen ze maar al te graag wijzen op het belang van preventie, maar wel stellen dat het niet hun taak is…"

En daar komen we bij de regionale verschillen. "Die zijn er duidelijk," zegt Moeremans, "maar laat mij wel duidelijk stellen dat ik dit nu zeg vanuit mijn persoonlijke ervaring… en dat ik daar onvoldoende ‘data' over heb. Ligt het aan de taal van Molière? Maar wie zich in het Frans uitdrukt gebruikt vaak 39 woorden voor wat een Vlaming zegt in 3 woorden. Als arts, die nogal wat Franstalige patiënten ziet in de randstad Willebroek , weet ik dat intonaties en ‘theater' een bijna vanzelfsprekend element zijn bij ons Franstalige landgenoten.

Wanneer ik de therapielijst bekijk van patiënten die nu in Vlaanderen op consultatie komen dan zie ik vaak combinaties van benzodiazepines, neuroleptica en antidepressiva die ik niet voor mogelijk achtte… Dit is natuurlijk geen wetenschappelijk bewijs: maar ja, het sterkt mijn aanvoelen dat er toch wel anders gereageerd wordt op het domein van geestelijke gezondheidszorg in het zuiden van het land."

Marc van Impe


Bron: MediQuality

19:38 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)