06 juli 2017

Waarom meertaligheid goed voor je hersenen is



Ik bevind me in Barcelona, een stad waar vier talen vlot door elkaar gesproken worden. Ik begin het Engels, schakel over naar het Spaans en vind tenslotte mijn weg in het Frans. Waarop ik een antwoord in het Catalaans krijg. We zitten in internationaal gezelschap.


Het valt op dat de Britten en de Fransen het zwijgzaamst zijn. Wie meerdere talen spreekt is slimmer, socialer en gezonder. ‘Tweetaligen hebben aanmerkelijk meer grijze cellen in hun cortex cingularis anterior (CCA) en dat komt doordat ze hem vaker gebruiken,' zegt Jubin Abutalebi, cognitief neuropsycholoog aan de universiteit San Raffaela in Milaan. ‘De CCA is een cognitieve spier. Hoe vaker je hem gebruikt, hoe sterker, groter en flexibeler hij wordt.'


En als toemaatje nog dit: hij of zij maakt minder kans een beroerte te krijgen of aan dementie te gaan lijden. Over de hele wereld bekeken spreekt meer dan de helft van de mensen – tussen de 60 en 75 procent wordt geschat – ten minste twee talen. Ons land heeft drie officiële talen.


Maar dat is niks vergeleken met Zuid-Afrika waar er elf officiële talen zijn en in Johannesburg spreken de meeste mensen ten minste vijf talen: het Sotho, Zoeloe, Xhosa en Ndebele zijn de talen op straat, Engels en Afrikaans leert men op school. De meerderheid van de bevolking daar spreekt er op zijn minst drie. In de omgeving van het Brusselse Schumanplein worden ook de supertalen gesproken zoals Engels, Chinees, Spaans of Arabisch.


Eentaligheid komt steeds minder voor en wordt in de toekomst uitzonderlijk. Gérard Linard de nieuwe voorzitter van de Belgische voetbalbond doet er dus goed aan zich in te schrijven voor een spoedcursus Nederlands. Leeftijd mag geen excuus zijn.

Volgens Alex Rawlings, een Britse polyglot die vijftien talen spreekt, is het niet waar dat talen leren te moeilijk zou zijn voor een volwassene. Volgens hem is het juist gemakkelijker na je achtste. "Een baby doet er drie jaar over om een taal te leren, maar een volwassene slechts enkele maanden."


Uit onderzoeken in de afgelopen tien jaar blijkt dat meertaligen het in een heel scala aan cognitieve en sociale opdrachten beter doen dan eentaligen, zowel in verbale en non-verbale tests als in empathietests. Dat zou komen omdat ze beter in staat zijn om hun eigen gevoelens en meningen opzij te zetten om zich beter op de ander te kunnen concentreren. Volgens Abutalebi kan je alleen al aan de hand van een hersenscan verschil zien tussen een tweetalige en een eentalige. Tweetaligen blijken voortdurend de controlefuncties te gebruiken omdat hun twee talen steeds wedijveren om de aandacht.


Hersenscans laten zien dat als een tweetalig iemand spreekt in de ene taal, zijn CCA voortdurend de drang onderdrukt om woorden en grammatica uit zijn andere taal te gebruiken. Bovendien is zijn geest altijd aan het beslissen wanneer en hoe hij de doeltaal gaat gebruiken. Tweetaligen verwarren zelden de twee talen, maar soms voegen ze een woord of zin uit een andere taal in als degene met wie ze praten dat ook kent.


Tweetaligen zijn met hun uitzonderlijk getrainde controlefuncties ook bijzonder goed in de Eriksen Flanker Task die voor hen in feite alleen een bewuste versie is van wat hun hersenen de hele dag onbewust doen.


Maar het grootste voordeel van tweetaligheid doet zich voor bij het ouder worden, als de controlefunctie achteruit gaat: tweetaligheid lijkt te beschermen tegen dementie. En het zorgt voor sneller herstel na hersenbeschadiging. En wat betreft de financiële voordelen: recent onderzoek heeft aangetoond dat het een lonende tijdsinvestering is. Het spreken van een tweede taal zou over een periode van veertig jaar naar schatting 128.000 dollar extra inkomen opleveren. Waar wacht die voetbalbobo nog op?


Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

07:38 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

05 juli 2017

Euthanasie is geen vrouwenkwestie


Vrouwen vragen vaker dan mannen euthanasie aan. Zo’n zin doet lezen. Maar is naast de kwestie. De studie van de End-of-Life Care-onderzoeksgroep van de Vrije Universiteit Brussel en de Universiteit Gent die vandaag in De Standaard beschreven wordt, bevestigt wat eerder al door psychiater Lieve Thienpont gepubliceerd werd in 2015.


De nieuwe feiten: van 2002 tot en met 2013 stierven in België 179 mensen door euthanasie wegens psychisch lijden. Driekwart van die aanvragen werd gedaan door vrouwen. De auteurs schrijven dat stemmingsstoornissen "– zoals depressie –" het vaakst leiden tot zo'n euthanasievraag. Dat geeft een verkeerd beeld. Ik neem studie ter hand van psychiater Lieve Thienpont die op 27 juli 2015 in de BMJ Open verscheen (link).


Deze Vlaamse psychotherapeute maakte een retrospectieve analyse van de casus van 100 patiënten, 77 vrouwen en 23 mannen die van eind 2007 tot eind 2011 naar haar werden verwezen. 90 patiënten leden aan meer dan 1 stoornis; de meest voorkomende diagnose was depressie (n=58) , persoonlijkheidsstoornis (n=50), 13 leden aan autisme spectrum stoornis (ASS), en 12 leden aan het Asperger syndroom (ASD).


In total werden 48 van de euthanasie-aanvragen geaccepteerd, en in 35 gevallen werd die ook uitgevoerd. 6 patiënten pleegden zelfmoord, 1 stierf door palliatieve sedatie en 1 door anorexia nervosa. Van de 13 patiënten die toestemming kregen maar niet doorzetten, waren er 8 die vrede hadden met de toestemming op zich en gingen door met hun leven. Lieve Thienpont is ook de auteur van het boek Libera Me dat getuigenissen biedt over euthanasie, die de lezer een inzicht geven in de realiteit van mensen die ondraaglijk en perspectiefloos psychisch lijden. Haar artikel in de BMJ en haar boek maken duidelijk dat het belangrijkste voor de patiënt de hoop is, zij het (nog) niet op een beter leven, dan toch op een menswaardige dood.


Maar de hamvraag is waarom er in beide studies driekwart meer vrouwen opduiken dan mannen. Ik meen dat dit in de eerste plaats te wijten is aan het feit dat vrouwen eerder dan mannen professionele hulp zoeken als ze voelen dat het fout gaat. Mannen kunnen eindeloos doorgaan in hun halsstarrig gedrag dat ze alle ellende wel aankunnen. Tot ze niet meer verder kunnen. Dan dreigen ze hun waardigheid te verliezen en vragen ze om de laatste behandeling. In een Nederlandse studie noemden vooral vrouwen dat zogenaamde verlies van waardigheid na invoering minder vaak als reden.


Uit de studie van Luc Deliëns en collega's blijkt dat artsen in 8 tot 27 procent van de gevallen de inschatting maken dat de patiënt terminaal is, waardoor er slechts twee artsen moeten oordelen en geen psychiater als derde arts. Bovendien is de tweede arts vaak een huisarts, en dus geen specialist.


De Standaard stelt daarbij vragen. Hoe komt dat? Is de patiënt al fel fysiek verzwakt door zijn psychiatrische aandoening? Wordt de wet misschien breed geïnterpreteerd, of vreest de arts dat de patiënt anders zelf uit het leven zal stappen? Het toont aan dat euthanasie bij psychisch lijden complex is. Is de patiënt competent genoeg om zo'n onomkeerbare beslissing te nemen? Is de doodswens geen symptoom van de ziekte?


Uitzichtloos kan het lijden enkel zijn als alle bewezen effectieve behandelingen zijn ingezet en er vanuit medisch perspectief geen uitzicht meer is op genezing of verlichting. Bij een terminale ziekte als kanker kan een arts dit uitzichtloze stadium veelal betrouwbaar vaststellen, mede gebaseerd op een scan of laboratoriumonderzoek. Het is de vraag of dit ook mogelijk is bij een psychiatrische ziekte.


Volgens de auteurs is het duidelijk dat psychisch lijden ondraaglijk en ongeneeslijk kan zijn. Maar of lijden ondraaglijk is, is uiteindelijk een subjectieve beleving van de patiënt. Omdat het om een kwetsbare doelgroep gaat, moet er bijzonder zorgvuldig met die euthanasievragen omgesprongen worden. Zij pleiten voor de invoering van klinische guidelines, zoals in Nederland, en voor advies door multidisciplinaire teams.


De vraag is of dit zal helpen. Scott Kim, hoogleraar psychiatrie bij het Bioethics Department van het National Institute of Health in de VS, publiceerde op 10 februari 2016 in JAMA (link) een onderzoek over 66 psychiatrisch patiënten die in Nederland euthanasie kregen in de periode van 2011 tot begin 2014. Uit dit onderzoek blijkt dat de meerderheid van de patiënten niet alle door de richtlijn aanbevolen, bewezen effectieve behandelingen had gekregen.


Zo had net als in ons land ruim de helft van de patiënten een depressieve stoornis, terwijl slechts 11% een behandeling had gekregen met een MAO-remmer en 39% was behandeld met elektroconvulsieve therapie (ECT), dat wordt aanbevolen bij therapieresistente depressie. Ook bleek dat er onder de betrokken artsen in bijna een kwart van de gevallen geen overeenstemming was over het euthanasieverzoek.


Het weinige onderzoek dat er nu is, toont aan dat euthanasie de laatste jaren wordt uitgevoerd bij psychiatrische patiënten waarvan de meerderheid mogelijk ondraaglijk lijdt, maar niet uitzichtloos, omdat een groot deel niet uitbehandeld is. De zogenaamde zorgvuldigheidscriteria geven de schijn van zorgvuldigheid en kunnen leiden tot willekeur en rechtsongelijkheid. Een debat over een streng of minder streng euthanasiebeleid is dan een schijndebat.


De Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) heeft voor psychiaters een richtlijn opgesteld hoe om te gaan met het verzoek om euthanasie of hulp bij zelfdoding door patiënten met een psychiatrische stoornis. De praktijk wijst uit dat het volgen van deze richtlijn en het besluitvormingsproces een langdurig traject is.

De studie van dr. Lieve Thienpondt gaf al aan dat iemand met een psychiatrische stoornis geholpen kan worden als hij of zij zijn/haar gevoelens en angsten kan delen. Professionaliteit is in deze van groter belang dan goede wil.


En tenslotte nog dit: vrouwen voelen de werkelijkheid uiteraard beter aan dan mannen.


Marc van Impe

https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/28641576

 

Bron: MediQuality

17:36 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

03 juli 2017

Arts is een risicoberoep



Ik heb nog de tijd gekend dat respect de norm was. De sociale controle eiste dat je aan die norm hield of je werd onverbiddelijk gesanctioneerd. Enkel nozems mochten van die norm afwijken. Die scheurden door het stadje op hun Vespa’s of lage Flandria’s, sloegen een parochiezaal in elkaar als er een optreden was van Gene Vincent en kregen navenant mot.


Wie daarbuiten amok maakte kreeg letterlijk op zijn kop en ging het cachot in. Wie verward was én amok maakte werd opgesloten in een gesticht en kwam er na tijdje totaal versuft als een ander mens weer uit. Het leven zat toen eenvoudig in elkaar. Wie respect afdwong droeg meestal een uniform. De pastoor had zijn soutane, de politieman zijn kepie, de gendarme zijn hoge chacot. De onderwijzer liep in een grijze stofjas en de dokter was gekleed in zwart kostuum en droeg in zijn praktijk een gesteven witte gesteven jas.


Er kon van afgeweken worden: met pastoor in zwembroek kon je op jeugdkamp dollen. De agent die in korte broek voetbalde kon je toeschreeuwen, de gendarme in burger kwam bij ons thuis zijn huishuur betalen en de dokter stond in zijn marcelleke mee te metselen op de stelling aan het jeugdheem. Het uniform was uit maar het respect bleef. De tijden zijn veranderd.


Daaraan denk ik als ik op een terras in de stad lees dat 84,4 procent van de artsen tijdens zijn of haar carrière ooit het slachtoffer wordt van geweld of agressie door de patiënt. Vooral vrouwelijke artsen worden geagresseerd. Dat blijkt uit een ondervraging bij 3.726 artsen die masterstudent Lennart De Jager van de Vrije Universiteit Brussel (VUB) voerde voor zijn thesis. Waarom ben ik niet verbaasd?


De arts hoort bij de beroepsgroepen die veel traumatische gebeurtenissen met zich mee kunnen brengen. Hij is vast niet de enige die met geweld zal geconfronteerd worden. Dat maken anderen ook mee: de brandweerman, het ziekenhuispersoneel, de spoorwegbeambte, uiteraard de politie, maar ook de parkeercontroleur, de hulpverlener, de bediende van het geldtransport, de kassabediende, het luchtvaartpersoneel, de wegenwerker en de veiligheidsagent en zelfs de callcentertelefonist die wel een stijf gevoeld wordt. Allemaal beroepen die op tijd en stond geconfronteerd worden met agressie.


Ik vraag de geleerde vrouw of zij in haar praktijk wel eens met agressie geconfronteerd werd. Het antwoord is laconiek en bevestigend: daarmee moet je leren omgaan.


Je hebt verschillende types van agressiviteit. Mensen worden agressief uit frustratie. Of ze gebruiken agressie om een bepaald doel te bereiken. Een patiënt kan je kalmeren door de LEO-techniek toe te passen. LEO staat voor Luisteren, Empathie en Oplossing. Een klacht bestaat voor 80% uit emotie, voor 20% uit feiten. Daarvoor moet je echter communicatievaardigheden beheersen en dat heeft niet elke arts tijdens zijn opleiding geleerd, laat staan dat daar praktijklessen over worden gegeven. de artsenopleiders dragen daar een zware verantwoordelijkheid.


Een tweede norm waar mee vaak een loopje wordt genomen is het stellen van grenzen. Er is een tijd geweest, toen de huidige bijna gepensioneerde beleidvoerders aan hun lange mars door de instellingen begonnen, dat de arts en vooral de huisarts erop stond dat hij met zijn voornaam werd aangesproken. De arts zelf "ontkleedde zich", hing zijn witte jas in de kast en voerde praktijk in een ribfluwelen slobberbroek en een door zijn partner zelf gebreide pluisjestrui.


Dokter Vandesijpe werd "de Miel" en ging mee betogen tegen de windmolens, de sluiting van de schrijnwerkerij en voor de Palestijnse zaak. De afbraak van het imago kon niet perfecter. De grenzen waren afgebroken.


Daarbij werd ook de eigen veiligheid uit het oog verloren. In geval van conflict was de stap van spanning naar controleverlies, escalatie tot crisis zeer snel gezet.


Uiteraard zijn er bijkomende beveiligingsmaatregelen nodig. En zoals altijd komen die helaas te laat. Maar de eerste actie moet bij de arts zelf liggen. De opstart betekent daadwerkelijk contact leggen, begrip aan de dag leggen, en echt overleggen.


En bij crisis geldt maar één regel: vlucht, breng u zelf in veiligheid, bel XXX of de agressieknop, bel in het ziekenhuis de alarmcentrale. Vanzelfsprekend zijn niet alle patiënten perfect in evenwicht. Hou rekening met hun gemoedstoestand. Maar reageer professioneel: blijf rustig, spiegel niet, reageer niet op wat gezegd wordt maar hoe het gezegd wordt.


Geef de agressor keuzes, daarmee bezorg je hem een gevoel van controle terug. En vooral: hou afstand van je agressor.


En weet dat je altijd op het verkeerde moment op de verkeerde plaats kan zijn. Dat is nu eenmaal het risico van het beroep. En die witte jas is misschien toch niet zo'n slecht idee.

Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

08:39 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)