28 april 2016

De top 100 van de gezondheidszorg zorgt voor maagzuur

Die middag in een stralend Brussel betraden we het restaurant in een allerbeste stemming, met een exemplaar van de Artsenkrant onder de arm. Want zo zijn we, zelfs als we tijd maken voor het aangename, dan paren we dit aan het nuttige. Dat de editie van die vrijdag ook nog eens de pop-poll van de Belgische gezondheidszorg publiceerde was nuttig en meegenomen. Wat verder in de zaal zat een bekend gezelschap en we hoorden dat de hele top 100 de revue passeerde. Er was tandengeknars en geweeklaag...

Meestal delen we het restaurant met een gezelschap op executive niveau, zowat de enige die van hun groepsverzekering nog buitenhuis mogen lunchen. Zo ook die middag in een stralend Brussel. Mijn charmante gezelschap ging voor een glaasje van het huis en een visje van de grill, ikzelf die minder katholiek ben, zelfs niet op vrijdagen, koos voor een GT en een stukje van de koe met béarnaise. We hadden ons geïnstalleerd bij het raam met zicht op de plek waar ooit een Volkshuis gestaan had maar dat nu een dagelijks toneel is waar het multiculturele Brussel kortgerokte meisjes nafluit, of zoals dat bij sommige subgroepen van onze maatschappij de gewoonte is, charmante complimentjes toe sist.
Toen hoorden we dat we niet alleen waren in het etablissement. Wat verder in de zaal, bij het raam dat zicht geeft op de werkende klasse in de keuken, zat een gezelschap dat ons bekend was. De heren hadden echter geen oog voor de kunsten van de chef en zijn brigade, maar zaten gebogen over dezelfde Artsenkrant. "Ik begrijp het niet," zei een Limburgse stem, "Marc, jij stond altijd nummer twee of drie, en ik haal zelfs de top tien niet. Heb ik me dan niet genoeg geprofileerd met een fijne uitspraak hier en daar?" "Je bent verkeerd vertrokken," herkenden we het sonore geluid van een Vlaamse excellentie, "je moet veel beloven en daarna weinig geven. En niet omgekeerd. Met charisma alleen kom je er niet, dat weet ik uit ervaring."
De derde in het gezelschap zei aanvankelijk niets, maar dan kwam het: "Het is evidence based dat die hele Top 100 een doorgestoken kaart is. Ik ben er van overtuigd dat de statische methode die ze gebruiken niet deugt en we zullen dit in een doortimmerd rapport bewijzen. En anders de zweep erover, zoals we in Congo zeiden."
De vierde man zat met zijn rug naar ons maar aan zijn rijzige gestalte en naar links overhellend hoofd herkenden wij de rechtvaardigste onder de rechten van geest. Het kan zijn dat we ons vergisten, maar het leek wel of hij de hele tijd neuriede. Vervolgens passeerde de hele top 100 de revue. Er was tandengeknars en geweeklaag, er werd met stoelen geschoven en af en toe op de tafel geklopt. Tenslotte werd de rekening gepresenteerd. Die mocht doorgestuurd naar het nationaal secretariaat.
We hebben niet veel gezegd die middag maar goed geluisterd. Zo leerden we dat elk huisje zijn kruisje draagt en dat het oude principe Help u zelve, zo helpe u God in de christelijke beweging nog altijd van toepassing is. We sloten de maaltijd af met een kleintje Marc van Bourgondië, het kan tenslotte niet altijd Van Impe zijn. Ons goede humeur zou ons zeker geen maagzuur bezorgen, wat niet van de andere tafel gezegd kan worden. Bij het buitengaan liepen we tegen een Brusselse burgemeester aan die door de gastvrouw fluks de deur gewezen werd. We stonden weer in de stralende middagzon. En zo werd een aangenaam weekend ingezet.


Marc van Impe

Bron: MediQuality

09:45 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

27 april 2016

Mens Erger je niet

Ik heb ooit een collega gehad, een schat van een mens, intelligent, een goede pen, een scherp verstand, ze zag er bovendien aantrekkelijk meisjesachtig uit, ze rook lekker, kortom we gingen samen schitterende stukken schrijven, topwetenschappers interviewen, schrijvers op de rooster leggen, ongezouten, scherp maar toch geestig onze meningen verkopen, en wij zouden elkaar nooit, nee echt nooit in de haren vliegen. Tot ze bij het eerste scherm dat ik intikte achter mijn schouder stond en zachtjes meelas met wat ik schreef en… aan haar koffie verkeerd slurpte. Help !
U weet wat ik bedoel: slurpen, zoals Brel dat zo mooi bezingt in "Ces gens là: Et ça fait des grands flchss". Het is niets geworden. Eén boek hebben we samen geschreven, omdat het contractueel vastlag. Ze is later met een Fries gehuwd. Dat zegt veel. Over haar en over mij.


Er zijn van die mensen waar je teennagels van gaan omkrullen. Ik heb het niet alleen met collega's. Het kan iemand aan de bar van mijn stamkroeg zijn. Of in de trein. Of een acteur op TV. Zelfs een Limburgse zanger kan me in de gordijnen jagen. Ze praten verkeerd, hun oogopslag bevalt me niet, ze drinken hun glas verkeerd, zelfs hoe ze zitten, hoe ze lopen is voor mij een bron van ergernis. Jij krijgt het snel op je zenuwen, zegt de geleerde vrouw.


Maar dat is niet zo. Ik ben de verdraagzaamheid zelve. Tolerance is my middle name. Maar waarom zijn sommige mensen zo irritant? Ook zij heeft zo haar ergerlijke figuren. Iedereen heeft zo zijn eigen irritatiezone. Het merkwaardige is dat wat mij ergert een ander blijkbaar niet opvalt. Ergernis is zoals verliefdheid, een hoogst persoonlijke aangelegenheid.


Gelukkig is het niets ergs. Want kenmerkend voor ergernissen, schrijven de Amerikaanse wetenschapsjournalisten Joe Palca en Flora Lichtman in hun boek Annoying, is dat ze ‘licht storend' zijn. Ergernis roept een woede op, je gaat iemand er niet om verachten, je vindt het vervelend maar je kan er net niet mee leven of toch wel, want je weet: straks is het over. Het leidt wel af. Ik kan in een vol café een razend goed stukje schrijven, maar sta voor een writer's block als ik me ergens aan stoor.


Ergernissen herken je ook, ze zijn individueel maar toch universeel. Een primaire ergernis is het geluid van een vingernagel die over een schoolbord krast. Ik voelde dit als kleuter al tot de kern van mijn intiemste delen. Ook van het geluid van een nagelknipper krijg ik het heen en weer. Meestal gebeurt dit in een verder totaal stille omgeving, of zo lijkt het toch.
Het probleem is dat er geen verbod is op het knippen van nagels in het openbaar vervoer. En het achteloos spugen op de grond wat bij jonge derde generatie landgenoten zo populair blijkt te zijn. Doe je dat thuis ook, wil ik dan zeggen, maar ik hou me in. Zoals altijd overigens.
Hoogstens loop ik weg. Maar ik erger me ook dood aan mensen die luidop en in het openbaar een mobiel gesprek voeren dat nergens over gaat. In een wachtzaal bijvoorbeeld, of voor de rij bij kassa vier. Dat komt, leer ik, omdat we het hele gesprek willen volgen en niet de ene kant van het verhaal. Ons brein wil controle over het gebeuren en is daarom voortdurend bezig met voorspellen wat er gaat gebeuren op basis van wat we nu weten.


Bij zo'n half gesprek bedenken we wat de ander zou kunnen zeggen. Maar doordat informatie ontbreekt, kun je niet voorspellen wat er gezegd zal worden, en dat is irritant. Bovendien kun je niet inschatten wanneer diegene naast je weer gaat praten en vooral, wanneer het gesprek zal stoppen. Ik erger me ook dood aan iemand in trainingsbroek die niet op het sportplein staat.


Ergernissen zijn niet ingeloste verwachtingen. Sociale codes die niet worden gerespecteerd. Je krijgt krijgt er geen niesbuien van, geen jeuk of bulten en zeker geen anafylactische shock. Het is dus potentieel niet dodelijk. Maar het maakt je wel blind. Net zoals verliefdheid waarbij je de zwakke kanten en de minpunten niet kan zien, verbergt ergernis de goede kanten van iemand. De collega van toen blijkt nu een lieve oude dame te zijn. En slurpen doet ze niet meer. Misschien heeft haar Fries haar daar delicaat op gewezen. Ze drinkt haar koffie verkeerd nu met getuite lippen.
Wat dat betreft is ergernis een romantisch gevoelen. Het erodeert, het vervlakt, om soms keihard terug te komen. Voor de goede orde toch dit: ik hou niet van te hard en te veel praten, knokkels knakken, midden in een gesprek op de telefoon kijken of er nog gewhatsappt is of iemand die te laat komt. Ik hou niet van mensen die me ongevraagd goed advies geven of die –omdat jij journalist bent- tegen me aan beginnen te praten over het gevaar van terrorisme, de minister van Volksgezondheid of de belastingdruk.


Behalve als ik dat allemaal zelf doe, natuurlijk. Blijft de vraag: Waarom zijn sommige mensen zo irritant? En de buurman van beneden die de lift altijd vijf minuten geblokkeerd houdt omdat hij absoluut zijn verhaal over niets moet afmaken, die sla ik nog eens mentaal op zijn bek. In gedachten dus. En daar begint de ergernis.


Marc van Impe

 

Bron: Mediquality

09:05 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

26 april 2016

Vergeet de burn-out, hier is de bore-out

Ik ben ooit, in het begin van mijn carrière, ambtenaar geweest. Ik was als werkstudent overdag opsteller op het Centraal Bureau voor Hypothecair Krediet, een grijze instelling waar grijze mensen de hele dag grijze dossiers invulden. Per week kregen we twaalf dossiers op ons bord. Meestal was ik maandagnamiddag klaar. Ik moest adres, geboortedata en loonstrookjes nakijken. Waarna ik het dossier doorschoof. De rest van de tijd las ik kranten, schreef en studeerde ik. Tot ik op een dag bij de directeur geroepen werd. Ik werd berispt voor mijn onsociale houding. Ik stresseerde mijn collega’s. Korte tijd daarna nam ik ontslag en begon als freelancer. Nu lees ik dat werken onder je niveau kan leiden tot gezondheidsklachten: de bore-out.


'Ik heb het gevoel dat mijn hersencellen afsterven,' schrijft een ambtenaar. Zij moet elke werkdag datumprikkers doorsturen. Niet voor haar eigen afspraken, maar voor die van haar oudere collega's. En als de datumprikkers de deur uit zijn, stuurt ze herinneringen naar iedereen die eerdere prikkers heeft ingevuld; of ze ook echt naar de afspraak komen. Ze heeft wel een universitaire studie afgerond, in het buitenland deed een Ersamusjaar en is beleidsmedewerker en ze verveelt zich dood.


De bore-out is net zo erg als de burn-out: je zit je stierlijk te vervelen op je werk. In de jaren zeventig en tachtig van vorige eeuw toen de werkloosheid structureel was, kreeg een werkloze universitair afgestudeerde een tijdelijk baantje, meestal in de zogenaamd sociale sector. Nu zijn steeds meer mensen hoogopgeleid zijn, terwijl er niet voor iedereen een baan beschikbaar is op zijn of haar opleidingsniveau. Zodoende krijg je steeds meer hoogopgeleiden die lagere banen invullen. Volgens de Vlaamse arts en burn-outspecialist Luc Swinnen heeft vijftien procent van de werkende bevolking te maken met burn-out- óf bore-outklachten. Ongeveer de helft is bore-out. Iemand met een bore-out vertoont dezelfde symptomen als iemand met de bekendere burn-out: stressklachten, continue vermoeidheid, cynisch zijn en jezelf zinloos voelen.


Mensen met een burn-out en mensen met een bore-out doen hetzelfde. Ze voelen zich lang onprettig maar praten er niet over. Hun overlevingsstrategie is doorzetten, hoewel ze zich slecht voelen. Ze raken steeds meer op een eiland. En daardoor gestrest.


De huisarts spreekt dan van stress gerelateerde klachten. De huisarts zelf zal er niet gauw aan lijden, maar niemand ontsnapt. De bore-out komt voor in alle lagen van de beroepsbevolking: bij jonge mensen die geen baan op hun niveau kunnen vinden, bij mensen die officieel op niveau werken maar te weinig inhoudelijk werk toevertrouwd krijgen, bij werknemers die erachter komen dat hun baan hen simpelweg niet interesseert en bij werknemers die gewoon weinig te doen hebben.


Een specialiste is Frouke Vermeulen. Ze heeft zich verdiept in het fenomeen bore-out nadat ze 2012 instortte als gevolg van een jarenlange intense verveling. Frouke is 31, hoogopgeleid en aan de slag in haar eerste job in de privésector als ze instort. De diagnose: een bore-out, na een maandenlang gevecht tegen intense verveling. Door het zware taboe dat rustte op verveling op het werk hield ze al die tijd de schijn hoog voor haar collega's, vrienden en familie. Maar op haar werk telde ze elke minuut van de dag af en haar vrije tijd bracht ze vaak apathisch door op een stoel. Tot haar lichaam voor haar besliste. "Er waren perioden dat het heel druk was, omdat we dan een project hadden, maar soms was er geen project en dan was er niets te doen. Ik vond die laatste perioden heel moeilijk. Daarnaast kwam ik erachter dat in de tijd dat we het wél druk hadden, ik het werk weinig zingevend vond." Naast het oprichten van haar coachpraktijk schreef ze een boek over bore-out "Vechten tegen verveling – gevangen in een bore-out" (verschenen september 2015 bij uitgeverij Houtekiet) en geeft ze voordrachten en workshops over dit thema. Als ervaringsdeskundige en coach kan ik je helpen uitzoeken of je al dan niet een bore-out hebt, wat de mogelijke oorzaken zijn en hoe je er weer uit geraakt. Vermeulen schreef een boek over hoe je met verveling op je werk kunt omgaan: Vechten tegen verveling - gevangen in een bore-out. Ze schetst twee typen van de bore-out: of er is heel veel werk, maar het geeft geen voldoening, of het gaat om te weinig en te makkelijk werk.


Ik zag op de reünie een oude werkmakker. Een jurist op het CBHK. Bleek dat hij in de loop van zijn carrière nooit ziek geweest was. Hij had op zijn 55ste al zijn ziektedagen opgenomen en was nu met pensioen. Hij begeleidt nu immigranten. Hij slaapt er soms niet van, zo'n ellende. Hij heeft zich nog nooit zo goed gevoeld, zegt hij.


Marc van Impe

 

Bron MediQuality

11:44 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)