30 augustus 2016

Waarom haio’s burn-out krijgen

Toots Thielemans maakte muziek tot zijn 92 jaar. Tot het eind van zijn leven bleef hij gepassioneerd door zijn werk. Toots maakte een wereldoorlog mee, leefde een groot stuk van zijn carrière zonder sociale zekerheid, en nam grote risico’s. Hij overleefde en herstelde van een herseninfarct, trad op tot 2014 en heeft nooit een burn-out gehad. Nochtans was hij een perfectionist, had hij een gevoelige persoonlijkheid, en zocht hij als artiest uiteraard aandacht. Kortom hij beantwoordde aan de drie belangrijkste criteria voor een burn-out.

De week van Toots' overlijden lees ik in de masterproef van dr. Zahra Atrtchine-Kachi (KU Leuven) dat maar liefst 8.5% van de Vlaamse huisartsen in opleiding aan een burn-out lijdt. Zij hebben geen carrière achter zich, zij moeten nog beginnen. Hoe is dit mogelijk?

Ik herinner me mijn eerste jaren in dit mooie vak. Mijn hoofdredacteur was wereldberoemd in Vlaanderen want van de TV. Ik heb hem leren kennen als een alcoholist, een rokkenjager, die liefhebberde in strippokerconcours, charmant was met de hele Wetstraat maar op de redactie berucht was voor zijn woede-uitbarstingen en scheldpartijen. We werkten nachten door, herschreven een verhaal tien keer als het moest, en we kregen nooit felicitaties. Om de haverklap werden we met ontslag bedreigd. Als praktijkopleiding kon dit tellen. We waren jong, idealist en zochten steun bij elkaar.

In die periode, begin van de zeventiger jaren, werd het syndroom van Freudenberger-Maslach, zoals burn-out eigenlijk zou moeten heten voor het eerst gedefinieerd als een combinatie van uitputting, cynisme, en een laag zelfbeeld. De psychologen Christina M. en Herbert F. stelden vast dat zeer toegewijde, betrokken en enthousiaste medewerkers van hulporganisaties zoals het Peace Corps, om onverklaarbare redenen binnen een jaar veranderden in onverschillige, gedesillusioneerde en afstandelijke hulpverleners, met een resem aan klachten. De oorzaken waren te veel stress op het werk en in de privésituatie. Een sensitieve persoonlijkheid met bovengemiddeld verantwoordelijkheidsgevoel en de neiging tot perfectionisme waren bijkomende risicofactoren, zo bleek uit de Maslach Burnout Inventory (MBI).

Ik ben ervan overtuigd dat burn-out géén modeziekte is. Zoals nu bewezen veroorzaakt de ziekte epigenetische veranderingen. Wie een burn-out niet serieus neemt ontkent dus het daglicht. Maar er moet in onze samenleving wel iets veranderd zijn zodat deze relatief 'jonge' ziekte zo'n exponentiële groei kende. Het is duidelijk dat er op het vlak van werkbelasting heel wat gewijzigd is. We zijn meer gaan besturen dan uitvoeren. De mentale, sociale en emotionele belasting is enorm toegenomen. Werk is intensiever geworden en de druk nam toe. We moeten veel meer samenwerken, overleggen, vergaderen, plannen en conflicten oplossen ... en ga zo maar door.

Maar ook na het werk wordt nog inzet verwacht: men moét deelnemen aan het sociale en culturele leven. Er moeten concerten gevolgd, festivals bezocht, paintbalwedstrijden gespeeld, op pokemons gejaagd, er moet gegamed, gesport, gejogd, gekookt en er moet ecologisch met vakantie gegaan worden. Bovendien vraagt een beetje moderne relatie dat de klassieke rolpatronen radicaal doorbroken worden. Afwassen, stofzuigen en strijken heten nu zorgtaken die beide partners gelijk op invullen. Ook voor een jonge huisarts in opleiding is dit allemaal geen geringe opgave.

Ik maak even de volgende zijsprong: er ontstaat pakweg elke 15 jaar een nieuwe generatie van mensen die dezelfde maatschappelijke ervaringen opdoen en zo overeenkomsten hebben in houding en gedrag. Als babyboomer sta ik helemaal anders in het leven dan iemand die vooral werkloosheid en crisis heeft gekend. Mijn protestgeneratie die geboren werd tussen 1941 en 1955 groeide op zonder armoede in een tijd van welvaartstijging. De nadruk lag op zelfontplooiing en een vrije moraal. Die ervaringen die ik tussen mijn 10e en 25e levensjaar opdeed, draag ik voor de rest van mijn leven mee. Iedereen is het product van zijn of haar tijd.

De huidige generatie Z, de digital native generatie, is geboren tussen 1990 en 2000 en werd maximaal beschermd opgevoed. Ze voelen zich bijzonder en zelfverzekerd want ze zijn al hun hele leven actief op internet. Dat maakt ze digitaal vaardig maar ze missen vaak analytische capaciteiten. Marketeers hebben ook wel eens over de ‘achterbankgeneratie', voor wie alles geregeld werd door hun ouders. Enerzijds resulteert dit in een groeiend aantal jonge, ambitieuze entrepreneurs en carrièremakers maar anderzijds blijkt dat niet alle jongeren kunnen voldoen aan de door zichzelf gestelde verwachtingen en dat ze alle moeite hebben zich staande houden in die complexiteit van keuzes.

Een andere naam voor de generatie Z is generatie M wat staat voor multitasking. Er wordt vaak gedacht dat multitaskende jongeren speciale vaardigheden ontwikkelen, zoals het goed kunnen filteren van irrelevante informatie. Ik denk het niet. Het blijkt dat het puberbrein meer moeite heeft met multitasken dan het volwassen brein. Bekend is dat mannen pas tegen hun dertigste volwassen worden. Tot hen horen de huisartsen in opleiding van vandaag. Ik vrees dus dat het precies deze groep mannelijke haio's is die uit de boot dreigt te vallen en kampt met een dreigende burn-out.

Tekenend was ook het bericht dat elf procent van de studenten geneeskunde aan de Vlaamse universiteiten wel eens Rilatine gebruikt. Ze zijn voor op hun tijd. Uit een rapport van het KCE dat dateert van 2011 bleek al dat huisartsen die immers makkelijk toegang hebben tot geneesmiddelen, graag gebruik maken van psychotrope middelen. Uit het rapport: "Huisartsen zijn mogelijkerwijs de meest kwetsbare groep, wat veroorzaakt wordt door de aard zelf van hun werk, door de relatie met de patiënten, waarbij de verwachtingen en de verzoeken toenemen en vaak de medische sfeer overstijgen, door hun zeer grote professionele inzet en door de noodzaak om de zorgcontinuïteit te waarborgen aan de bevolking, ook al zit de context niet mee.

Bovendien zijn huisartsen geneigd hun persoonlijk welzijn, en zelfs hun eigen gezondheid, te verwaarlozen en hun problemen te ontkennen. Ze doen vaak aan zelfbehandeling en zijn terughoudend om een collega te raadplegen. "Er bestaat geen enkele goede studie over de prevalentie van burn-out bij Belgische artsen. De "Fédération des maisons médicales" schatte in 2005 dat 10% van de huisartsen aan burn-out leden.

Het recente onderzoek van Atrtchine-Kachi toont aan dat een op de drie haio's (29,3 procent) risico loopt op een burn-out. Bij een op de twaalf is er zelfs al sprake van een echte burn-out. 14 procent van de ondervraagden voelt zich depressief, en 27 procent voelt zich zenuwachtig of angstig. Bij sommige studenten zitten de frustraties zo hoog dat 16 procent ooit overwoog te stoppen.

Professor huisartsgeneeskunde Dirk Devroey (VUB) is niet verwonderd dat burn-out en depressie ook huisartsen in spe treft. Hetzelfde ziet hij bij specialisten, verpleegkundigen of andere medische beroepen. Hij ziet een combinatie van een enorme verantwoordelijkheid en een gebrek aan waardering door een weliswaar kleine maar luidruchtige groep patiënten. Ik denk dat professor Devroey zijn denkraam eens moet openzetten.

Marc van Impe

Bron: MediQuality

14:53 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

29 augustus 2016

Te gek, te echt

Het thema van de nieuwe jaarcampagne Te Gek!? is 'Psychose Ontwikkeld'. Niet minder dan 3 procent van de Belgen krijgt in zijn leven te maken met een psychose. Toch zijn de vooroordelen hieromtrent vaak hardnekkig en de kennis beperkt. Het doorbreken van de taboes die hardnekkig rond psychische problemen blijven hangen, is hard nodig. Niet alleen in Vlaanderen maar ook in het zuiden van het land. Maar ook binnen de medische wereld moet er één en ander veranderen. eHealth biedt daartoe een unieke gelegenheid.

Daarom eerst dit: Ik geloof graag dat big data nodig zijn om zinvol onderzoek te doen. In naam van de wetenschap moeten we werk maken van de informatisering van onze gezondheidsdata. Maar dat mag niet ten koste gaan van de privacy van de patiënt, van zijn rechtszekerheid en van zijn waardigheid. Ik geloof ook dat er weinig of geen artsen zijn die bewust foute data gaan opslaan in het medisch dossier dat zij voor hun patiënt samenstellen en bewaren. Artsen zijn ervoor opgeleid om alleen juiste, exacte en gemeten gegevens te interpreteren en te noteren. De klinische labo's van dit land leveren wat dat betreft uitstekend werk en kunnen tot de beste ter wereld gerekend worden.

Waar ik echter geen vertrouwen in heb, is in dat stuk van de geneeskunde dat die wetenschappelijk noch empirisch onderbouwd is, waar de onderzoeken zelden of nooit voor herhaling vatbaar zijn, waar veel zo niet alles afhankelijk is van de persoonlijke interpretatie en kwalijker nog, de "school" waartoe de practicus zich bekent. Ik heb het over de psychiatrie. Ik heb in mijn carrière tal van interessante gesprekken mogen voeren met psychiaters, over gastronomie, literatuur, filosofie, religie, meditatie, tot zen en de kunst van het motoronderhoud toe.

Maar zelden heb ik een eenduidig antwoord gekregen op de meest elementaire vragen. Ik ken psychiaters die er prat op gaan dat ze aan hun haartooi herkend worden, aan de vorm van hun schedel, aan hun dialect dat ze koesteren, maar ik ken er geen enkele aan wie ik mijn identiteit zou toevertrouwen. Nochtans maken ook zij deel uit van het geneeskundig korps en krijgen ze als dusdanig, indien ze een therapeutische relatie hebben met een patiënt, toegang tot diens medisch dossier.

Ik heb het van nabij mogen meemaken hoe een professor psychiatrie, forensisch expert par excellence, in een dossier van een patiënte een miskraam en een daarop volgende depressie had ingeschreven. Er was nooit een miskraam geweest. Het heeft vier jaar geduurd voor hij zijn fout toegaf.

Ik schreef een jaar of twee geleden, rond deze tijd, hoe Tony King uit Lilydale, Victoria in Australië, in The New Scientist waarschuwde voor de gevaren van een onwrikbaar geloof in geïntegreerde databases. Kings vrouw kreeg vier jaar geleden de diagnose van een endogene depressie in haar dossier geschreven. Maar de voorgestelde psychotherapie bracht de patiënte geen meter vooruit en King vermoedde dat er iets heel ernstigs aan de hand was.

Maar op basis van de data in het medisch dossier kreeg hij nergens een second opion. Zijn echtgenote had een somatoforme aandoening, ze wou niet beter worden, dus dat was het. In het dossier verscheen zelfs de waarschuwing dat patiënte en haar echtgenoot op ziektewinst uit waren. Het heeft drie jaar geduurd voor mevrouw King terecht kon bij een arts die los van de centrale database zijn eigen diagnose wou stellen. Die werd door onderzoek bevestigd. Mevrouw King leed aan een zeer ernstige ziekte, ze werd tenslotte wel echt behandeld en raakte aan de beterhand.

Een goede collega van mij overkwam hetzelfde in een Brussels universitair ziekenhuis. Toen ze inzage vroeg in haar dossier, werd haar dat botweg geweigerd. Een en ander kwam aan het licht toen de assistent melding maakte dat ze ook psychiatrisch in behandeling was geweest. Natuurlijk was ze daarom zo lastig.

Patiënten hebben niet alleen het recht om te weten wat er in hun medisch dossier staat, maar ook om te weten wie en wanneer het dossier consulteert. En ja, er is een probleem met de psychiatrie. De vraag is gesteld. Er moet antwoord komen.

Ik herhaal wat ik telkens opnieuw schrijf: bij Google kan je nu eisen dat foute of achterhaalde berichten verwijderd worden. Daar moet je goede redenen voor hebben. Maar het kan. Wie garandeert mij dat de beheerder van de centrale patiëntendatabase zijn fouten zal willen rechtzetten? En wie zal hij het eerst geneigd zijn te geloven: de arts of de patiënt? Is dat niet te gek?

Marc van Impe

Bron: MediQuality

17:17 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

28 augustus 2016

Un incident évité de justesse

C’est arrivé à mi-chemin entre l’hôpital et l’appartement. C’était la deuxième fois que j’effectuais ce trajet en m’aidant d’une béquille. Un excellent exercice, m’avait dit le kinésiste, mais l’effort m’avait épuisé. J’avais le bras droit qui maugréait de douleur, le mollet gauche était à deux doigts d’être pris par une crampe. Il faisait poussiéreux et chaud. Je m’étais promis de déguster un verre de bière bien fraîche en arrivant.

« Bonjour Pépé, t'as pas une cigarette ? » C'était un de nos semblables, d'origine africaine, âgé d'environ seize ans, qui se tenait devant moi. À ses côtés se tenaient un autre adolescent, venant manifestement d'un peu plus au nord, et, par ordre décroissant de taille, un petit rouquin. Ils portaient chacun leur casquette de baseball la visière tournée vers l'arrière, la chemise pendant hors du pantalon, comme il est de rigueur aujourd'hui dans certains groupes. Une barge chargée de sable passait sur le canal. Il n'y avait pas âme qui vive dans les environs immédiats.

« Non, je ne fume pas, désolé, » répondis-je. À mes pieds gisait l'emballage déchiré de quelque chose qui avait dû être halal. Et aussi des mégots en pagaille, un briquet vide et un morceau déchiré d'un dépliant de chez Aldi.

"Peut-être vous avez cinq euros ? » insista-t-il. L'adrénaline éloigna la crampe. Ce brusque changement d'attitude me fit me redresser un peu sur ma chaise. Cela devenait une conversation intéressante. J'avais déposé tout près de moi le livre de Wim Kayser intitulé « Van de schoonheid en de troost » (de la beauté et de la consolation), que je lisais en attendant que ce soit mon tour. De brèves considérations à propos de la tristesse, de la joie, de l'émerveillement, des courants de pensée. Je percevais de quelle façon le plus âgé des trois évaluait la situation. La place sous le pont était déserte. Au-dessus, la circulation grondait en passant sur le tablier du viaduc. On s'entendait à peine parler.

Et voilà qu'arriva un couple de personnes âgées sur leurs vélos électriques. L'homme bien en tête, comme il se doit, et elle, suivant à trois mètres environ. Il contourna les jeunes gens, mit pied à terre. « Tout va bien ! » lança-t-il, répondant à sa propre question. « Ce jeune homme me demandait si je pouvais lui changer cinq euros, » lui répondis-je, « mais hélas, je n'ai pas un sous en poche. » « Ah, mais ça sera réglé tout de suite », répondit-il et gara son vélo.

C'est alors que les jeunes gens décidèrent tout à coup que le moment était venu de quitter les lieux. Leurs vélos trop petits étaient déposés un peu plus loin contre les buissons.

Aujourd'hui, un an après, le garçon africain est assis en face de moi dans la salle d'attente. Il a grandi de dix centimètres. Il a la cheville dans le plâtre. Il n'entend ni ne voit rien : les oreilles rabattues, les yeux fermés, comme s'il était en trance. C'est alors qu'il s'aperçut de ma présence. Il me reconnut et me dit, avec un sourire éclatant :

« Bonjour Pépé. »

Marc van Impe

Source: MediQuality

08:09 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)