12 december 2017

Het verband tussen whisky en uw pensioen


Uw stukjesschrijver is op uitstap met een stel artsen uit de Brusselse Noordrand. Een ideetje van de geleerde vrouw, ter gelegenheid van mijn verjaardag, en de gelegenheid om de vinger aan de pols van de lokale arts te leggen. We bevinden ons in wat ik elegant het laatste leeftijdssegment van het medische vak zal noemen. We passeren een uitstekende whisky tasting.


De afwezigen hebben groot ongelijk. De conversatie gaat dan ook allengs meer- naarmate het later wordt- over wat ons na de fatidieke datum van het pensioen te wachten staat. Buiten geurt het naar wafels en oliebollen en is de Gentse Kerstmarkt aan de gang. Wij proberen ons in een ondergrondse Schotse pub onder het genot van een Orval en een neutje peated whisky verstaanbaar te maken. Het verhaal over de duur dat een single malt op vat moet doorbrengen brengt ons bij de duur van een artsencarrière en de gevolgen ervan.


Een tafelgenote is boos. Voor het eerst in haar carrière is ze met ziekteverlof en daarvoor ontvangt ze na de carenztijd een royale uitkering van amper 1.000€. Als ze over een jaar met pensioen gaat zal dat opgetrokken worden tot zo'n 1.200€. Daarvoor stond ze gemiddeld 80 uren per week klaar voor haar patiënten, leidde ze jonge collega's op, was actief in allerlei sociale bewegingen en solidariteitsacties en was nooit een dag ziek.


Ziek zijn dat doe je als vrije beroeper in je eigen vrije tijd, zei een hoofdredacteur me ooit. Ik weet er alles van. Haar zus, die in het onderwijs "stond" mocht rond haar 56ste met pensioen, gaf 18 uur les per week, had ruim vier maanden vakantie per jaar en zal nooit 45 jaar gewerkt hebben en krijgt nu meer dan 2.000€ pensioen per maand. Maar wat de pensioenpil nog bitterder maakt, is het feit dat van haar Amonispensioen nog zo eens een kleine vijftig procent in de zakken van de fiscus verdwijnt, want ze heeft geen aftrekbare bedrijfsuitgaven meer en zelfs haar abonnementen op de wetenschappelijke tijdschriften en websites zijn niet langer fiscaal aftrekbaar.


Het verhaal is nog niet afgelopen, haar partner en levensgenoot die een paar dorpen verder een huisartsenpraktijk voert, zal niet bij haar intrekken. Want als samenwonenden zouden ze dan immers terugvallen op een gezinspensioen. Dat wordt dus een noodgedwongen scheiding.


Ik begrijp nu waarom zoveel ambtenaren in de loop van de laatste jaren van hun carrière opbreken, zegt mijn tafelgenoot, de ene blijft op de huisadres wonen, de ander verhuist naar het adres van het vakantiehuisje –als dat er al is.


En ander onderwerp van gesprek is de uitspraak van de hoofdverpleger van de CM die nog maar eens aan zijn manifest over de hoge erelonen en supplementen op de kerstdeuren spijkerde. In deze hebben de aanwezige specialisten aan de overkant van de tafel de bonen gevreten. Argwaan en irritatie, want dat zijn toch die dokters, die sowieso al buitensporig veel verdienen en er nog een schepje van 200% bovenop leggen?


De zelfstandige specialist die aan het woord is weerlegt direct: hij moet werken tot zijn 72ste voor zijn machines afbetaald zijn. Iedereen geeft toe dat er uitzonderingen zijn die zich bezondigen aan prestatie-excessen. Maar dat geldt net zo goed voor de zelfstandige verpleegkundigen die veertig huisbezoeken per dag afleggen, en die nu ook door de DGEC gesnapt worden.


En dan volgens de fabelcijfers die ondertussen vijf jaar oud zijn: de nefroloog die jaarlijks 636.284€ bruto verdient, de pneumoloog die het met 195.715€ doet en de plastisch chirurg die 264.125€ omzet boekt maar daarbovenop nog eens de lasten en kosten draagt van een hele BTW-boekhouding.


Alle drie betalen ze wel vaste kosten, zoals een afdracht aan het ziekenhuis, de huur van lokalen voor consultatie, werkingsmateriaal, maar ook secretariaat, een voltijdse verpleegster en de poetsvrouw. Plus de externe accountant. Voor niets gaat de zon op! Als een ziekenhuisspecialist een derde van zijn inkomsten als zelfstandig arts overhoudt mag hij zich gelukkig prijzen dan wordt naar mij gekeken.


Een journalist heeft toch een luizenleven: hij komt overal, spreekt alleen maar interessante mensen en ziet nog wat van de wereld. Ik vertel het volgende waargebeurde verhaal: mijn belastingcontroleur verwierp de helft van mijn reiskosten met de argumentatie dat reizen voor de helft plezier is.


Ik legde hem het dagschema voor dat de directiesecretaresse voor mij had uitgetekend. Reisje naar Barcelona: opstaan om 3.30u, aankomst op luchthaven om 5.30u, vlucht 6.45u. Wat uiteindelijk op een dik half uur vertraging neerkomt. Aankomst in Barcelona kort voor 11u. Hotelkamer pas beschikbaar om 15u. Dan maar naar congres tot 18.00u. Galadiner of wat daar moet voor doorgaan om 20u, ondertussen inchecken, opfrissen, omkleden, stukje schrijven, taxi naar congresrestaurant. Conversatie in drie talen. Alles vertalen voor je Hollandse tafelgenoten. Retour 11.30u. Tweede stukje schrijven. Slokje uit de minibar. 7.30u opstaan, desayuno met een kop koffie of wat daar moet voor doorgaan. 9.15 luchthaven. Twee uur vertraging. In de hele luchthaven geen bank om een tukje te doen. Onderweg rechtop zittend in het Vuelingharnas een stukje bijslapen. Het regent als we in Brussel aankomen. Parkeerticket proberen terug te vinden. Inderdaad voor de helft plezier.


De huisarts vertelt hoe zijn haio's om zes uur de dag voor gezien houden. Hoe het woordje stress in hun woordenboek geschrapt is. Uiteraard: ze moeten aan hun gezin denken, hun zwemuurtje halen, indoor climbing doen, salsa leren dansen, gaan joggen of een cursus programmeren volgen. En voor bijscholing wordt de praktijk een middag gesloten. Zij vinden dit ‘billijk, degelijk, aangenaam, eerlijk, aannemelijk'. Helemaal volgens de huisregels van Domus, zoals hij schamper opmerkt. Waarom hebben we –toen het nog kon- niet voor een vast salaris gekozen?


"Het referentiekader is essentieel bij het gevoel dat je overhoudt aan je verloning", legt professor Xavier Baeten van de Vlerick Business School dit weekend in De Morgen uit. "Wie netto 3.000 euro verdient, kan soms veel tevredener zijn met zijn loon dan iemand die 4.000 euro netto verdient. Mensen zijn in hun beloning namelijk vooral op zoek naar rechtvaardigheid." Ik hoor in de achtergrond professor emeritus huisartsgeneeskunde Jan De Maeseneer (UGent) lachen. Wij zijn niet voor niets in Gent.


Hij stelde eerder al dat het loon van specialisten niet hoger zou mogen zijn dan het loon van de premier, zo'n 9.500 euro netto. "Dat blijft nog altijd een schitterend loon", voegt hij nu toe. Ter vergelijking rekende hij voor dat een voltijds werkende huisarts 5.000 tot 6.000 euro netto per maand verdient en sommige specialisten tot zeven keer meer. En Dirk Van Duppen, huisarts bij Geneeskunde voor het Volk in Deurne en gezondheidsspecialist van PVDA, zegt dan weer dat artsen-specialisten "het fatsoenlijke salaris van de universiteitsprofessoren" zouden moeten verdienen. "Tussen de 7.000 en 12.000 euro per maand naargelang ervaring en kwalificaties. Met volwaardige sociale zekerheid en pensioenopbouw. Met extra's voor extra prestaties en extra kwaliteit."


Voor gezondheidseconoom Lieven Annemans wiens bloedsomloop ook al links begint, is het terecht dat artsen veel verdienen, denkende aan de fysieke en mentale belasting van hun vak. "Ze helpen vandaag ook mensen en hun patiënten zijn meestal tevreden."


Op weg naar huis gaat de discussie geanimeerd verder. In Machelen zet de wegpolitie de eerste BOB-controle op. Het wordt ineens stil in de bus. Ik denk aan de Nederlandse schrijver Louis Couperus: Van oude mensen, de dingen, die voorbijgaan.


Met dank aan dr. Christel Houthuys van Harno.
Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

08:30 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

11 december 2017

Bijscholing: waar is de logica?

 

Deze week schreven we dat de doorsnee arts 17 jaar achter staat met zijn kennis van de geneeskunde. Dat bleek uit Nederlands onderzoek, en er is geen reden om aan te nemen dat dit in ons land en andere landen anders zou zijn. Alle actoren in de geneeskunde realiseren zich dat dit een wezenlijk probleem is.


Een van de manieren waarop men hieraan poogt te remediëren is het geven van bijscholing. Als arts krijgt u hiervoor accreditatiepunten. Maar dat is niet de enige reden waarom een arts naar de bijscholing gaat. De belangrijkste redenen voor (huis)artsen om te kiezen voor een bijscholing zijn het sociaal contact met collega's, het onderwerp, de afstand en het tijdstip. Artsen kiezen noodgedwongen nog altijd voor bijscholingen via traditionele lezingen maar ze scholen zich ook frequent bij via LOK of opzoekingen op internet. Uit een onderzoek van Stefanie Moermans van de KU Leuven bestemd voor de masterproef Huisartsgeneeskunde blijkt echter dat ondanks hun voorkeur voor lezingen artsen wel vragende partij zijn voor andere manieren van bijscholing zoals e-learning en ze ook vragende partij zijn voor de accreditering ervan.


De vraag is echter wie deze bijscholingen kan aanbieden? Alleen al daarom moet het initiatief van de 12 professoren die de ImmunoScience Academy opstarten toegejuicht worden. Immunologie mag dan immers wel aan bod komen tijdens de opleiding geneeskunde, artsen blijven door de snelle opkomst van nieuwe innoverende geneesmiddelen en behandelingsmethodes toch genoodzaakt om een grondige kennis op te bouwen over de basisprincipes van immunologie, en dan met name de werkingsmechanismen en gerelateerde effecten. "De nood aan kennis is groot, én de vraag ernaar is dat ook," zegt Prof. Dr. Pierre Coulie, voorzitter van de ImmunoScience Academy en hoogleraar immunologie aan het de Duve Instituut (UCL): "Dagelijks ontmoet ik collega's die meer informatie willen over de werking, de voordelen en bijwerkingen van deze nieuwe geneesmiddelen, zodat ze een optimale behandeling en opvolging voor hun patiënten kunnen garanderen."


Het initiatief krijgt de financiële en wetenschappelijke steun van Bristol-Myers Squibb België. En daar ligt het kalf gebonden. Want dit betekent dat wie deze opleiding online volgt geen accreditatiepunten kan krijgen. Onder het regime van de ministers van Volksgezondheid die het wetenschappelijk socialisme waren toegedaan werd immers de banvloek over het geheel van de farmaceutische industrie uitgesproken. Dat betekent dat een gewaardeerd emeritus die op de schnabbeltournee is wel een "praatje" mag geven aan de hand van een ouwe PowerPoint of een paar velletjes papier, maar dat actieve hoogleraren die een internationale reputatie hebben en die gesponsord worden, uitgesloten worden van het bijscholingscircuit. E-learning is meer dan een stukje voorlezen voor een pocketcamera. Het vraagt een grote investering aan professionele communicatietechnieken en IT, en die heeft een universiteit niet op overschot.


De overheid heeft al evenmin de kennis, het personeel noch de financiële middelen om een deftig systeem van e-learning met accreditatie op poten te zetten. De artsen staan positief tegenover het nieuwe systeem van bijscholing en maar verwachten dan ook accreditering. Om het systeem in de praktijk bruikbaar te maken zullen er dus heel wat aanpassingen moeten gebeuren om het beter te doen aansluiten bij de realiteit. Het absurde is dat een financiële dienstenverlener die zich focust op artsen en tussen neus en lippen fiscaal advies geeft, wel als sponsor kan optreden, maar een farmaceut dus niet. Binnenkort verplicht een nieuwe minister de artsen voor bijscholing en LOKs vergaderen in de refter van het lokale cultuurcentrum in plaats van in een normaal restaurant. Waar is de logica? Voor deze minister een werf die ligt te wachten.


Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

14:40 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

10 december 2017

In sommige gevallen zet je beter een punt achter je relatie


Niets zo goed als een goed huwelijk. Maar altijd slecht is ook niet mis. Nieuw onderzoek wijst op een verband tussen burgerlijke staat en gezondheid. De onderzoekers van de Avon Longitudinal Study of Parents and Children (ALSPAC) focusten zich op veranderingen in cardiovasculaire risicofactoren bij 620 gehuwde vaders.


De studie begon in 1991 en duurde 19 jaar. De vaders vulden een gevalideerde vragenlijst in om de kwaliteit van hun huwelijksrelatie te beoordelen toen hun kind bijna 3 jaar oud was en later opnieuw toen hun kind 9 jaar oud was.


De kwaliteit van de relatie werd gedefinieerd als consistent goed; consistent slecht; verbeterd of verslechterd. De onderzoekers evalueerden vervolgens de bloeddruk, hartslag in rust, gewicht (BMI), bloedvetprofiel en glucosespiegels van de vaders tussen 2011 en 2013, toen hun kind bijna 19 jaar oud was, er vanuit gaande dat het na eventuele veranderingen in de relatiekwaliteit enige tijd zou duren voordat overeenkomstige veranderingen in cardiovasculaire risicofactoren zouden optreden.


De resultaten lieten weinig verandering zien in cardiovasculaire risicofactoren voor mannen van wie de relaties met hun echtgenoten constant goed of slecht waren. Maar er ontstond een duidelijker patroon bij diegenen van wie de relaties tijdens de bestudeerde periode waren verbeterd of verslechterd, hoewel de effecten in absolute termen klein waren.


Na rekening te hebben gehouden met mogelijk invloedrijke factoren, zoals leeftijd, opleidingsniveau, korte gestalte en gezinsinkomen, werden verbeterende relaties geassocieerd met lagere (0,25 mmol/l) niveaus van lipoproteïne met lage dichtheid (LLD) en een relatief lager gewicht (ongeveer 1 BMI-eenheid lager) in vergelijking met consistent goede relaties. En ze werden minder geassocieerd met verbeterde totale cholesterol (0,24 mmol/l lager) en verbeterde diastolische bloeddruk (2,24 mm Hg lager).


Verslechterende relaties daarentegen werden geassocieerd met een verslechtering van de diastolische bloeddruk (2,74 mm Hg hoger).


Als verklaring voor de afwezigheid van gewijzigde risicofactoren bij mannen van wie de relaties constant goed of slecht waren, veronderstellen de onderzoekers dat dit tot op zekere hoogte te wijten is aan ‘gewenning' aan de situatie of een hoogst individuele perceptie van de relatiekwaliteit.


Dit is een observationele studie, dus kunnen er geen harde conclusies getrokken worden over oorzaak en gevolg, bovendien zijn de bevindingen alleen van toepassing zijn op mannen, waarschuwen de onderzoekers.


Terzijde: "Vrouwen lijken minder te lijden onder de invloed van een slechte relatie, omdat vrouwen grotere sociale netwerken hebben en minder afhankelijk zijn van hun partner dan mannen," voegen de onderzoekers eraan toe. Hun conclusie: "Uitgaande van een causaal verband, kan huwelijksbegeleiding voor koppels met verslechterende relaties een extra fysiek voordeel bieden, maar in sommige gevallen kan je beter een punt achter je relatie zetten."


Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

11:15 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)