20 mei 2011

Jos

Hoe lang het zou duren, vroeg ik de vriendelijke man op werkpost 26, voor ik mijn attest zou ontvangen? Dat kon hij niet precies zeggen, maar hij schatte dat de zaak op zijn vroegst over een week of zes rond zou zijn. “We sturen eerst een bericht van ontvangst. U moet dat tegentekenen en ons terugzenden. Daarop krijgt u een aanvraagformulier en dat moet u volledig invullen – u gaat daarvoor best bij uw huisarts langs- en laten afstempelen bij de gemeente. En dan afhankelijk van , ja, van wat eigenlijk, begin ik met verwerking van uw aanvraag. U kunt misschien nu al een pasfotootje laten maken. In het juiste formaat natuurlijk en met een witte achtergrond in tweevoud.” Ik onderbrak de vriendelijke jongeman. “Maar ik heb u die aanvraag mét foto toch tweeënhalf jaar geleden al gestuurd. U hebt me die hele procedure al laten doorlopen en u hebt me in eerst instantie afgekeurd. Nu is het beroep uitgesproken voor de arbeidsrechtbank en dat is u twee maand geleden al betekend.” Hij sneed me de tong af. “Natuurlijk, dat weet ik wel. Maar niets zegt dat wij daar niet tegen in beroep gaan. U begrijpt, de procedure moet zijn gang gaan. En bovendien, dat zeg ik u omdat u journalist bent: ik ben nog niet aan 18.” Ik zag het verband niet. Wat heeft mijn vak hiermee te maken? Ik ben al veertig jaar journalist. En uiteraard is een ambtenaar 18. “Hoe oud bent u dan?” “32, maar dat bedoel ik niet. Ik ben nog niet aan datum 18 maart.” “Maar we zijn nu begin mei.” “En dan komt juni en dan komt de vakantie. U zult zien voor het vakantie is weet u waar u aan toe bent. Dat beloof ik u.” “En als ik het attest persoonlijk kom afhalen, helpt dat de zaak vooruit?” Dat was verkeerd gegokt, de vriendelijke man werd nu de onvriendelijke man. “Als u hierheen wil komen dan mag u dat, ik garandeer u dat dit geen lolletje is. De wachtzaal zit hier vol met medeburgers die iets gedaan willen krijgen en die niet begrijpen willen dat ze geduld moeten leren hebben. En u moet een nummertje trekken.” Ik wist dat hij de waarheid sprak. Ik was er al eens geweest. In een bevoorrechte positie. Als journalist. “U kunt beter gewoon volgens het boekje werken.” “Waar kan ik dat boekje kopen?” “U begrijpt best wat ik bedoel, de hele procedure staat op de website. En nog iets. Ik werk hier niet.” “Dat dacht ik al.” “Ik bedoel, ik ben hier niet. Ik ben elders maar ik mag u niet zeggen waar.” Armworstelen met een ambtenaar.“Ik ben ook niet wie u denkt dat ik ben.” Stilte. Ik had hem van zijn gietijzeren stoel geschopt. “U bent niet echt,” zei ik. “U bent virtueel. U leeft in een callcenter. Er groeit een microfoon uit uw oor.” Ik hoorde hem zwaar ademen. “Maar dat is normaal. Tenslotte werkt u op de FOD Gehandicapten. U bent er dus niet maar wel op de juiste plaats.” In de reclames schudden ze nu hun vers geföhnd haar en grijpen ze naar een bekertje yoghurt met Super K. “Ik wens u nog een fijne dag, werkpost 26. En weet u, in feite heet u gewoon Jos.”

Ik zweer het, maar de baas van deze dienst luistert naar Vlaanderens populairste popsong, van de hand Gorky, en heeft een zoete naam die eindigt met CKX. Daar kan ik bijna mee leven. Maar eigenlijk net niet. Ik denk dat ik hogerop ga. In het heelal galmt een stem: De kandidaat gaat naar de volgende tafel!

Marc van Impe

11:49 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

18 mei 2011

Poolse worst

Zit rechtop, spreek met twee woorden, eet met je mond dicht,  praat niet terwijl je eet, geef een hand, wacht tot je aangesproken wordt, zeg altijd dank u, spreek met twee woorden, maak je huiswerk, neem geen snoepjes aan, kijk niet naar vieze plaatjes, loop niet in de plassen, wees beleefd tegen meisjes, drink niet teveel, lees een goed boek, hou je handen thuis, denk toch eens na, doe die sigaret uit je mond… Als ik die zinnetjes hoor moet ik aan mijn goede vader denken. De man die me leerde dat ik moest uitkijken voor bankiers, politici en slechte vrienden  - in die volgorde- want ze zijn op het eerste gezicht charmant, hebben een enorm gevoel voor eigenwaarde, voelen geen schuld noch medelijden en het zijn pathologische leugenaars. Kijk altijd of iemand handelt naar zijn woorden, zei hij. Doet hij dat niet, laat hem dan weten dat je hem doorhebt. Maar geloof hem nooit. Pas jaren later heb ik begrepen dat hij zo zijn eigen schaal van Hare hanteerde.                                 

Wat het roken betreft was mijn vader dubbel. Hij hield er om de zoveel jaar mee op, om dan weer opnieuw te beginnen met een fijne sigaar, een geurige pijp, een dure Engelse sigaret. Pas toen hij de laatste keer stopte was het definitief.

Daar lig ik dus aan te denken terwijl ik uit het raam van de kamer die voor een paar dagen de mijne is naar beneden kijk. Wachtend op de arts die toert. Op het binnenplein wordt gerookt. Mannen  en vrouwen in het groen en het wit, een hark in een pak met een iPad onder arm, en in wagentjes, als ouwe mussen, kwetterend tegen elkaar en zeer ernstig kijkend: patiënten aan een infuus. Rokend. Langs de katheter het leven, langs het strot de dood. Onder een stalblauwe hemel, geen triester beeld.

Waarom doet de ministre hier niets aan? In cafés mag niet meer gerookt worden. Geen perron waar je nog een peuk kwijt kan. Maar op het plein voor de kliniek mag het wel. En wat met de voorbeeldfunctie van de zorgkundige? Ik begrijp dit niet.

 

 De Australische regering is van plan om vanaf januari 2012 sigaretten en roltabak te laten verkopen in olijfgroen inpakpapier. Geen fancy pakjes meer die tonen dat je een Rizla-vrouw bent, een Marlboro-man, of een Camel-mannetje. Je bent een sukkel die rookt. In Australië heeft een kind onder de 17 nooit een advertentie voor sigaretten gezien. Het percentage rokers bij volwassenen en de jeugd is er dan ook het laagst ter wereld.

Waarom stelt de ministre niet voor om sigaretten per gewicht te verkopen? Los, in een ouwe krant gerold. Sigaretten als een zwetende Poolse worst uit de nachtwinkel.  Da’s pas een aanpak.

 

Ook ik heb gerookt maar ik prijs me gelukkig dat ik er bijna 25 jaar geleden mee gestopt ben. Ik haat de roker niet. Ik misprijs hem niet. Ik vind hem hilarisch. Op reclames zie je lachende mensen roken. In het echte leven kijken rokers zeer serieus: hier wordt aan kanker gewerkt. No jokes, please.

 

Marc van Impe

08:47 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (4)

15 mei 2011

Knijp

Of ik eens langs wou komen in verband met een onderzoek naar mijn status, schreef hij. En hij had in het bijzonder belangstelling voor mijn relatie met de CVS Liga. Hij is een sociaal inspecteur bij het Riziv. Laten we hem in alle discretie de heer Knijp noemen. Ik bel hem op een ochtend in februari. Of er specifieke informatie is die ik alvast bij elkaar kan zoeken. Zijn er documenten die de heer Knijp wil inzien? Een kuchje, nee dat was niet nodig. Een routine onderzoekje. Een zaak van niks.

De ontmoeting met Knijp  roept oude herinneringen op: de geur van slappe koffie, karton, verzameld stof en goedkope aftershave. Knijp  maakt dadelijk duidelijk waar het om gaat. Ah, u bent de man van dokter U. . Waarom ik zo’n belangstelling heb voor CVS? Vanwaar al die bemoeienissen? Denk ik dat ik daarmee de zaken ga keren? En dan verandert plots de toon. U bent zelf chronisch ziek en bent erkend als gehandicapte. Weet u dan niet dat u dan niet actief mag zijn? Knijp probeert heel serieus te kijken wat niet eenvoudig is als je er uit ziet als een wijkagent van nog geen dertig en met twee vingers op je klavier zit te tokkelen terwijl je een verhoor leidt. Dat zijn drie dingen tegelijk en dat soort multitasking is niet iedereen gegeven. En u schrijft een blog, zegt hij verwijtend. De man of één van zijn collega’s  leest dus mee. Dat CVS zo’n triestige ziekte is. Niet dat hij er iets mee te maken heeft. Gelukkig maar. “Ik geraak gewoon vermoeid.” Ik ook als ik hem zo bezig hoor. “maar voor die patiënten, dat ze voor alles een uitleg willen. Als het van hem afhing…” Het is vooral mijn schrijven dat hem dwars zit. Dat doet een mens toch niet voor niets?

Tja, schrijven. Ik ben ruim veertig jaar journalist en dan is het moeilijk om het schrijven te laten. En zoals heer Bommel zegt, geld speelt in deze geen rol. Maar dat begrijpt Knijp niet. Wie die Bommel is? Waar woont hij? Heb ik zijn ondernemingsnummer? Een voornaam. Olivier Bommel, zeg ik. Knijp noteert. Hij wil nu weten wat de omzet is van de CVS Liga, wie wie betaalt. Het is liefdewerk, zeg ik hem, of beter gekkenwerk. Het is als Zeno’s paradox. Elke keer dat je een stap dichter bij je doel komt wordt de afstand groter. Zeno, noteert Knijp. Maar al die wetenschap is niet aan hem besteed. Hij wil feiten, zegt hij. U bent ook aandeelhouder in een journalistiek bedrijf, zegt hij. Daar is geen ontkennen aan. Helaas heeft dat nog geen cent opgebracht. Maar à là, dat zijn mijn zorgen. Ik heb ook nog andere aandelen, die al evenmin wat opbrachten, en sommige dan weer wel. Knijp kijkt me wazig aan. Ik weet alles, zegt hij, ik volg u op Linkedin. Hemeltje, de administratie vogelt nu al de sociale websites uit! We zijn uitgepraat. Knijp laat voorlopig los. Ik mag gaan.

Een paar weken later belt mijn accountant. Een zekere Knijp is langs geweest en heeft al mijn data in beslag genomen. En vorige week belt een uitgever die een van mijn blogs publiceert. Of ik ene meneer Knijp ken. Die is binnengevallen en heeft hem “met politiebevoegdheid” ondervraagd over wat hij over mij wist. En gisteren belt een vriend die mijn blog vertaalt. De heer Knijp kwam hem “vatten” tijdens de lunch. Wie ik ben, hoe lang hij me al kent, wat ik zoal doe.  Knijp knijpt verder.

Volgens mijn advocaat kan dit allemaal. Sociaal inspecteurs hebben in dit land meer bevoegdheden dan om het even wie en kunnen je hele leven binnenste buiten keren. Maar waarom? Zij ziet een onmiddellijk verband tussen het geschil dat mijn echtgenote sinds jaar en dag met het Riziv heeft én met mijn zaak over mijn gehandicaptenstatuut die ik voor de Arbeidsrechtbank gewonnen heb. Als er kennissen zijn die Knijp op bezoek krijgen dan zijn ze bij deze gewaarschuwd. Als u een zeehond met een Bill Gates-bril ziet, gekleed in een goedkope jeans met een ruitjeshemd, in een wolk van Old Spice dan is dat de man. Vorige maal had hij speculaas gegeten. Doe hem mijn hartelijke groeten.

Marc van Impe

16:12 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (5)