14 mei 2012

Hoe zit dat met alcohol?

Over het roken zijn we het eens. Behalve onze apotheker die het bij cigarillo’s houdt zijn we allemaal gestopt. Anti-rookbeleid is onderdeel geworden van gezondheidsrichtlijnen. Niet-roken is de maatschappelijk geaccepteerde norm. Maar hoe zit dit bij alcohol? Op de recepties vinden de dienbladen met rode en witte wijn gretig aftrek. Kom ik mijn geleerde vrouw ophalen bij haar LOK dan kom ik niet zonder een glaasje weg. Bijna de helft van de geneeskundestudenten drinkt meer alcohol dan gezond is, ook tijdens de opleiding. Ook in journalistenkringen wordt alcohol geassocieerd met gezellig.  Drinken is diep verankerd in onze maatschappij, net als roken vroeger. Maar veel alcohol drinken heeft enorme gezondheidsrisico’s. Toch blijft patiënten confronteren met hun eigen alcoholgebruik een lastige kwestie. Artsen vinden het lastig om het alcoholgebruik van de patiënt aan de orde te stellen. Waarom?  Gebrek aan de tijd kan toch het probleem niet zijn. Een snelle screening duurt 60 seconden. Is het omdat u zelf van een glaasje houdt? Of is het wellicht het geruststellende idee dat matig alcoholgebruik beschermt tegen hart en vaatziekten? En dat, terwijl medicijnen voorgeschreven worden die niet ongevaarlijk zijn in combinatie met alcoholgebruik. Of, dat er sprake is van gezondheidsproblemen die te maken kunnen hebben met alcoholgebruik (bijvoorbeeld valincidenten, depressies, vergeetachtigheid).  Ik vind dat het tijd wordt dat de dokter standaard vraagt naar het alcoholgebruik van zijn patiënt en dit ontmoedigt vanwege de gezondheidsrisico’s. Uit onderzoek blijkt dat de patiënt er geen problemen mee heeft. Vindt u het belerend of paternalistisch? Is het omdat u zelf van een glaasje houdt? Alcoholbeleid hoort onderdeel te zijn van gezondheidsrichtlijnen. Zodat net als bij roken, overmatig alcoholgebruik wordt verbannen! Maar wat is overmatig?

 Marc van Impe

18:58 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (2)

12 mei 2012

Een kwestie van vertrouwen

Amper een Belg op de vijf vertrouwt de federale overheid, om juist te zijn: het gaat om slechts  19 procent. Zeg niet dat wij het gezegd hebben! Op 7 mei maakte Erik Saelens, strategisch directeur van Brandhome, op het congres ‘Overheid: merk, imago en identiteit’ de resultaten bekend van de grote publieksenquête van Kortom, de vereniging van 750 voorlichters en  communicatieambtenaren. Saelens legt de oorzaak vooral bij de politici.  Een minister van Pensioenen die stomdronken op de tribune van de Kamer verschijnt. Een premier die zijn amoureuze twitters het net op stuurt.  Een andere premier die zich presidentiële allures aanmeet en niet zonder escorte buitenkomt. Een gewezen premier die een miljoenen bonus opstrijkt maar de sociale onderkant van de maatschappij pretendeert te vertegenwoordigen. Een politicus die zijn handen niet kan thuishouden.  Een politica die in de rijkste gemeente van het Waalse land woont en maar zich om electorale redenen laat inschrijven in een van de armste Brusselse deelgemeenten. Geef toe dat de politici voor hun reputatie zorgen. De Belg gaat moedig door het dal van de crisis en levert in, betaalt meer belastingen dan ooit maar ziet ook dat de politici goed voor zichzelf zorgen en dat aan hun pensioenrechten niet geraakt wordt. Idem dito luidt de conclusie dat de Belg een enorm negatief beeld heeft van ambtenaren. Ze worden door de meerderheid van de ondervraagden omschreven als grijze muizen zonder zin voor initiatief, matig betrouwbaar en met weinig inlevingsvermogen.  Dat die ambtenaren hand in hand met de politiek eenzijdig en eigenzinnig gemaakte afspraken verbreken, negeren of verbuigen –de artsen en apothekers kunnen daarover meespreken- maakt het vertrouwen zeker niet groter. Onze maatschappij verwordt tot het eind van het Ancien Regime  toen een gepoederde en bepruikte kaste edelen en landjonkers met een stuk cake in de hand krampachtig vasthield aan zogenaamd verworven rechten, terwijl de werkende klasse het moest stellen met aardappels in hongersaus. We weten wat daarvan gekomen is.

Marc van Impe

18:04 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

05 mei 2012

Een open brief van de geleerde vrouw

Brief aan Dr Van Houdenhove dd30/3/12

-------------------------------------------------------  

 

Ik heb uw opiniestuk in de Artsenkrant van 30/3/2012 met veel interesse gelezen. Tot op zekere hoogte ben ik het met u eens. In een aantal opzichten verschillen we van mening.

Ik denk dat het chronisch vermoeidheidssyndroom naast andere chronische aandoeningen gebaseerd  op symptomen een meer uitgebreidere benadering eisen dan alleen  het oprichten van referentiecentra en het betrekken van de huisarts an sich.

 

Een belangrijk gebrek is het gebrek aan opleiding van studenten in deze problematiek waardoor de latere huisarts zich onwennig voelt eens geconfronteerd met deze problematiek. Los van het gebrek aan opleiding is er de tijd die men aan deze patiënten moet besteden. Men moet een uitgebreide anamnese doen,  men moet een behandelplan opstellen voor de langere termijn en de patiënt moet dan opgevolgd worden.

Welke arts heeft daar de tijd en de middelen voor en het geduld?

Een ander probleem blijft de overspecialisatie in de derdelijns gezondheidszorg  waarbij weinig professoren zich aangesproken voelen om zich te verdiepen in deze complexe problematiek die moeilijk af te bakenen is. Wat daarbij belangrijk is dat van uit deze derdelijns zorg een onderzoeksprogramma moet opgezet worden om de kern van de pathologie te helpen ontrafelen. Tot nog toe zijn daar te weinig gegadigden voor.

Men blijft zich enten op de draagkracht en de belasting van de patiënt, wat inderdaad belangrijk  is maar er zijn veel meer aspecten die een rol spelen in deze pathologie, waar tot op zekere hoogte wel iets kan aan gedaan worden zonder in de alternativiteit te verzeilen. Overigens is de huidige aanpak van de ‘referentiecentra’ evenmin evidence based. Ik durf dan ook te zeggen dat ze niet uit de hoogte moeten doen om  een andere aanpak af te breken. Wanneer ik naar (internationale), congressen over CVS ga,  waar o.a. over de nieuwe criteria die u aanhaalt gediscussieerd wordt, zie ik daar  overigens op een paar na  weinig Belgische vertegenwoordigers van de referentiecentra.

Laat me toe een commentaar te geven op de huidige aanpak met  cognitieve gedragstherapie en revalidatie. Voor mij is dit een onderdeel van een meer algemene aanpak maar geen hoofddoel op zich. Wanneer men dan die patiënten een cursus cognitieve gedragstherapie gegeven heeft en gewezen heeft dat men zijn grenzen in het oog moet houden, dan  worden diezelfde patiënten  kort nadien geconfronteerd met het feit dat hun mutualiteitsuitkering gestopt wordt en dat ze maar weer aan het werk moeten gaan. Veel mensen hebben het financieel al niet breed, dit zorgt dus wel  voor veel stress en waar blijft dan ‘het rekening houden met belastbaarheid’?

Hierbij kom ik dan aan mijn vierde punt. Veel patiënten recupereren wel maar halen nooit meer het niveau van daarvoor. Ze krijgen te horen wanneer ze hun uitkering verliezen: ga maar aan het werk, zoek ander werk enz.Net of dit voor de hand ligt. In hun conditie kunnen ze vaak niet voldoen aan de eisen die men stelt aan werknemers, zodat ze vaak niet meer aan het werk geraken en in de armoe verzeilen. Een trajectbegeleiding naar werk toe zou hier een grote hulp zijn, waarbij patiënten progressief meer aan het werk gaan  tot een plafond dat haalbaar is d.w.z. dat ze niet opnieuw decompenseren. Dit kost veel geld en inspanning.

Wanneer men van overheidswege deze verschillende facetten niet gaat bekijken gaat er niets veranderen aan de situatie ook niet door het oprichten van ‘aangepaste referentiecentra’.

Nu dat we op een soort knooppunt gekomen zijn is het moment gekomen om met de verschillende disciplines rond de tafel te zitten en om te bepalen wat echt noodzakelijk is en hoe dit kan bereikt worden. Dit hoeft niet specifiek op CVS gericht te zijn maar op de aanpak van chronische ziekten in het algemeen. Een goed voorbeeld is het model van het Maria Middelaresziekenhuis in Gent waar men een klachtengerichte consultatie opzette met daarachter een multidisciplinair team. Deze aanpak verdient navolging.

 

Dr Anne Marie Uyttersprot

10:41 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (7)