12 mei 2012

Een kwestie van vertrouwen

Amper een Belg op de vijf vertrouwt de federale overheid, om juist te zijn: het gaat om slechts  19 procent. Zeg niet dat wij het gezegd hebben! Op 7 mei maakte Erik Saelens, strategisch directeur van Brandhome, op het congres ‘Overheid: merk, imago en identiteit’ de resultaten bekend van de grote publieksenquête van Kortom, de vereniging van 750 voorlichters en  communicatieambtenaren. Saelens legt de oorzaak vooral bij de politici.  Een minister van Pensioenen die stomdronken op de tribune van de Kamer verschijnt. Een premier die zijn amoureuze twitters het net op stuurt.  Een andere premier die zich presidentiële allures aanmeet en niet zonder escorte buitenkomt. Een gewezen premier die een miljoenen bonus opstrijkt maar de sociale onderkant van de maatschappij pretendeert te vertegenwoordigen. Een politicus die zijn handen niet kan thuishouden.  Een politica die in de rijkste gemeente van het Waalse land woont en maar zich om electorale redenen laat inschrijven in een van de armste Brusselse deelgemeenten. Geef toe dat de politici voor hun reputatie zorgen. De Belg gaat moedig door het dal van de crisis en levert in, betaalt meer belastingen dan ooit maar ziet ook dat de politici goed voor zichzelf zorgen en dat aan hun pensioenrechten niet geraakt wordt. Idem dito luidt de conclusie dat de Belg een enorm negatief beeld heeft van ambtenaren. Ze worden door de meerderheid van de ondervraagden omschreven als grijze muizen zonder zin voor initiatief, matig betrouwbaar en met weinig inlevingsvermogen.  Dat die ambtenaren hand in hand met de politiek eenzijdig en eigenzinnig gemaakte afspraken verbreken, negeren of verbuigen –de artsen en apothekers kunnen daarover meespreken- maakt het vertrouwen zeker niet groter. Onze maatschappij verwordt tot het eind van het Ancien Regime  toen een gepoederde en bepruikte kaste edelen en landjonkers met een stuk cake in de hand krampachtig vasthield aan zogenaamd verworven rechten, terwijl de werkende klasse het moest stellen met aardappels in hongersaus. We weten wat daarvan gekomen is.

Marc van Impe

18:04 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

05 mei 2012

Een open brief van de geleerde vrouw

Brief aan Dr Van Houdenhove dd30/3/12

-------------------------------------------------------  

 

Ik heb uw opiniestuk in de Artsenkrant van 30/3/2012 met veel interesse gelezen. Tot op zekere hoogte ben ik het met u eens. In een aantal opzichten verschillen we van mening.

Ik denk dat het chronisch vermoeidheidssyndroom naast andere chronische aandoeningen gebaseerd  op symptomen een meer uitgebreidere benadering eisen dan alleen  het oprichten van referentiecentra en het betrekken van de huisarts an sich.

 

Een belangrijk gebrek is het gebrek aan opleiding van studenten in deze problematiek waardoor de latere huisarts zich onwennig voelt eens geconfronteerd met deze problematiek. Los van het gebrek aan opleiding is er de tijd die men aan deze patiënten moet besteden. Men moet een uitgebreide anamnese doen,  men moet een behandelplan opstellen voor de langere termijn en de patiënt moet dan opgevolgd worden.

Welke arts heeft daar de tijd en de middelen voor en het geduld?

Een ander probleem blijft de overspecialisatie in de derdelijns gezondheidszorg  waarbij weinig professoren zich aangesproken voelen om zich te verdiepen in deze complexe problematiek die moeilijk af te bakenen is. Wat daarbij belangrijk is dat van uit deze derdelijns zorg een onderzoeksprogramma moet opgezet worden om de kern van de pathologie te helpen ontrafelen. Tot nog toe zijn daar te weinig gegadigden voor.

Men blijft zich enten op de draagkracht en de belasting van de patiënt, wat inderdaad belangrijk  is maar er zijn veel meer aspecten die een rol spelen in deze pathologie, waar tot op zekere hoogte wel iets kan aan gedaan worden zonder in de alternativiteit te verzeilen. Overigens is de huidige aanpak van de ‘referentiecentra’ evenmin evidence based. Ik durf dan ook te zeggen dat ze niet uit de hoogte moeten doen om  een andere aanpak af te breken. Wanneer ik naar (internationale), congressen over CVS ga,  waar o.a. over de nieuwe criteria die u aanhaalt gediscussieerd wordt, zie ik daar  overigens op een paar na  weinig Belgische vertegenwoordigers van de referentiecentra.

Laat me toe een commentaar te geven op de huidige aanpak met  cognitieve gedragstherapie en revalidatie. Voor mij is dit een onderdeel van een meer algemene aanpak maar geen hoofddoel op zich. Wanneer men dan die patiënten een cursus cognitieve gedragstherapie gegeven heeft en gewezen heeft dat men zijn grenzen in het oog moet houden, dan  worden diezelfde patiënten  kort nadien geconfronteerd met het feit dat hun mutualiteitsuitkering gestopt wordt en dat ze maar weer aan het werk moeten gaan. Veel mensen hebben het financieel al niet breed, dit zorgt dus wel  voor veel stress en waar blijft dan ‘het rekening houden met belastbaarheid’?

Hierbij kom ik dan aan mijn vierde punt. Veel patiënten recupereren wel maar halen nooit meer het niveau van daarvoor. Ze krijgen te horen wanneer ze hun uitkering verliezen: ga maar aan het werk, zoek ander werk enz.Net of dit voor de hand ligt. In hun conditie kunnen ze vaak niet voldoen aan de eisen die men stelt aan werknemers, zodat ze vaak niet meer aan het werk geraken en in de armoe verzeilen. Een trajectbegeleiding naar werk toe zou hier een grote hulp zijn, waarbij patiënten progressief meer aan het werk gaan  tot een plafond dat haalbaar is d.w.z. dat ze niet opnieuw decompenseren. Dit kost veel geld en inspanning.

Wanneer men van overheidswege deze verschillende facetten niet gaat bekijken gaat er niets veranderen aan de situatie ook niet door het oprichten van ‘aangepaste referentiecentra’.

Nu dat we op een soort knooppunt gekomen zijn is het moment gekomen om met de verschillende disciplines rond de tafel te zitten en om te bepalen wat echt noodzakelijk is en hoe dit kan bereikt worden. Dit hoeft niet specifiek op CVS gericht te zijn maar op de aanpak van chronische ziekten in het algemeen. Een goed voorbeeld is het model van het Maria Middelaresziekenhuis in Gent waar men een klachtengerichte consultatie opzette met daarachter een multidisciplinair team. Deze aanpak verdient navolging.

 

Dr Anne Marie Uyttersprot

10:41 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (7)

03 mei 2012

Een conditionering

Wat is het belang van een proces? De voorbije weken werd die vraag meermaals gesteld. Er lopen nogal wat zaken over (kinder)misbruik. Ik moest aan de ijsbeer van professor Krombach denken en een interview dat ik ooit met hem had waarbij hij bewees dat er niet zo iets bestaat als een verdrongen geheugen. Alles wat we ons menen te herinneren vanuit de krochten van ons geheugen is geïnduceerd, zei Krombach. Een en ander naar aanleiding van het zoveelste kinderschandaal of beter misbruik waarbij kinderen betrokken werden. Ik hoop dat het mij nooit overkomt, maar ik stel me dan de vraag welke schade die kinderen nu echt opgelopen hebben. Niemand weet eigenlijk wat de gevolgen zijn. Terwijl zowat alle deskundigen ervan uitgaan dat er wel degelijk gevolgen zijn. Volgens de ontwikkelingspsychologen slaan de baby’s trauma’s in het brein op. Stress leidt ook bij baby’s tot de aanmaak van cortisol. Maar is het hele leven geen opeenvolging van stress-events?  Baby’s huilen, dat is een uiting van stress. Ze huilen als ze honger hebben, als ze dorst hebben, als ze moe zijn, als ze een volle luier hebben. Hoe noteert het brein van een baby dat iets traumatisch is en een andere gebeurtenis niet? Doet er niet toe. Een traumatische gebeurtenis blijf een traumatische gebeurtenis. Volgens een experte die ik daarover aansprak gaat dat via conditionering. Stel dat een kind misbruikt wordt en er gaat toevallig een bel. Dan kan een kind later enorm angstig worden van dat geluid. Zoiets als een schoolbel die in de verte gaat en die me nog altijd een wee gevoel in de maag brengt als ik denk aan meester B die bij de oren placht op te tillen. Het waren de jaren vijftig toen, en toen was dat geen trauma, tenzij je oor eraf scheurde natuurlijk.
Ik geloof dit conditioneringsverhaal niet. Conditionering werkt ook de andere kant op, via beloning. Stel dat je de borst kreeg, en de telefoon ging. En stel dat dit telkens opnieuw gebeurde. Zo’n paar keer per week. Omdat je vader toen je moeder belde om te zeggen dat het wat later werd. Stel! Zou je dan telkens nu de GSM gaat aan eten denken. Of aan een tiet?  Toch?
Wat ik eigenlijk vragen wou: kunnen we zo’n zaken niet beter achter gesloten deuren behandelen. Zou dat niet minder traumatiserend zijn voor het slachtoffertje en de betrokken ouders? En ben ik geconditioneerd omdat ik altijd vragen stel. En zo ja, waarom?


Marc van Impe

17:55 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)