30 april 2017

Wat als decennia voedingsadvies plots wordt ondermijnd

 

Bijna dagelijks verschijnen er verhalen in de pers over achtergehouden en weggemoffelde of gemanipuleerde studies. Dat is niet anders in de medische sector.

Ook de biologie kent zijn Indiana Jones, en hij heet Christopher Ramsden. Deze "wetenschapsarcheoloog" is in feite gespecialiseerd in onderzoek naar de biochemie van linolzuur, maar heeft van het opgraven van verloren onderzoeken zijn belangrijkste nevenproject gemaakt. En het liefst zoekt hij oude studies die tegen de stroom ingaan en die de zogenaamde golden rules op de helling zetten.


In deze tijden dat voedingsadvies tot een religie verworden is en in de populaire media tot ware dieetoorlogen leidt, mag ik u zijn laatste ontdekking niet onthouden. Zijn meest recente opgraving — mogelijk gemaakt door de maniakale verzameldrift van een overleden wetenschapper, de hulp van de zonen van die wetenschapper en computertechnici die oude ponskaarten en magnetische tapes weer leesbaar maakten voor hedendaagse computers — slaan de pijlers weg waarop onze huidige kennis van de voedingswetenschap gefundeerd is.


Ramsden, die voor de Amerikaanse National Institutes of Health werkt, heeft de data van een 40-jarige studie opgedolven, die het dogma dat de consumptie van plantaardige vetzuren in plaats van dierlijke vetzuren goed voor het hart is, volledig tegenspreekt.


De studie, ooit het grootste experiment dat de gouden standaard testte, bewees precies het tegenovergestelde. Ramsden en zijn collega's publiceerden de uitkomst van hun onthutsend onderzoek reeds in april vorig jaar in de BMJ (voorheen: British Medical Journal).


We kunnen maar moeilijk inschatten hoe de wereld van dieetadvies, voedselfabricatie en gastro-enterologie er zou uitgezien hebben indien de studie ooit gepubliceerd zou geweest zijn.


Zijn ontdekking en analyse van gegevens van de lang verloren studie die opgezet werd in Minnesota en liep van 1968 tot 1973, onderstrepen hoe het niet publiceren van de resultaten van clinical trials de waarheid kan ondermijnen.


We kunnen maar moeilijk inschatten hoe de wereld van dieetadvies, voedselfabricatie en gastro-enterologie er zou uitgezien hebben indien de studie ooit gepubliceerd zou geweest zijn. Onthullend is het begeleidende redactioneel van professor Lennert Veerman van de Universiteit van Queensland die concluderen moet dat "de voordelen van de keuze voor meervoudig onverzadigd vet liever dan verzadigd vet een beetje minder zeker lijken te zijn dan we dachten." Het onderzoek dat slechts één in 19889 gepubliceerde paper had opgeleverd concludeerde dat het vervangen van verzadigde vetzuren in vlees en zuivel door plantaardige oliën het risico op coronaire hart-en vaatziekten of zelfs overlijden niet beïnvloedde. De paper miste kwantitatieve data en de nodige statistische analyse en liet veel vragen onbeantwoord omdat de antwoorden het NIH niet zouden bevallen.


Ramsden vroeg zich af waar die data gebleven waren en kwam terecht bij de zonen van de hoofdonderzoeker, Dr. Ivan Frantz van de University of Minnesota, die in 2009 overleden was. beide zonen, Dr. Ivan Frantz III, een neonatoloog aan het Beth Israel Deaconess Medical Center in Boston en zijn broer Dr. Robert Frantz, van de befaamde Mayo Clinic, wisten dat er in de kelder nog dozen vol ponskaarten, oude IBM-tapes en nota's stonden. Ze zochten drie dagen en vonden het materiaal achter een hoop rommel. Het onderwerp van hun mail aan Ramsden luidde: "Eureka."


Ramsden toog aan het werk, liet de documenten inscannen en de tapes omzetten in modern digitale bestanden en ontdekten zo dat het Frantz-onderzoek 9.423 deelnemers betrof, in leeftijd variërend van 20 tot 97 jaar, die allen in een gecontroleerde omgeving leefden, een psychiatrische instelling of een zorginstelling, en die nauwgezet elke dag gevolgd werden. In zijn soort was het het grootste experiment en het meest rigoureuze. Deelnemers werden willekeurig toegewezen aan de groep die het toenmalige standaarddieet kregen, met een hoog gehalte aan dierlijke vetzuren en margarines, of aan een groep die een dieet kreeg dat voor de helft bereid was met plantaardige olie. Een gerandomiseerde gecontroleerde trial geeft minder kans op misleidende resultaten dan observationele studies, waarin vrijwilligers eten wat ze zelf kiezen.


En omdat de deelnemers aan de Minnesota-studie in instellingen woonden waar al hun maaltijden bereid werden en die gegevens bewaard werden, wisten de wetenschappers precies wat de deelnemers gedurende 56 maanden aten. Veel voeding studies lopen vast omdat mensen zich niet herinneren wat ze aten of daarover zelfs liegen. De analyse van de oude data toonde aan dat de groep die plantaardige oliën toegediend kreeg inderdaad een verlaagd bloedcholesterolniveaus bereikte, met een gemiddelde van 14 procent. Maar dat die verlaagde cholesterol hen geen minuut langer liet leven. Sterker nog: hoe lager het cholesterolniveau, des te hoger het risico op voortijdig overlijden: 22 procent meer per 30 punten cholesterolvermindering. Noch deed de maïsolie-groep het beter wat betreft arteriosclerose of kregen ze minder hartaanvallen.


De gangbare hypothese luidt dat plantaardige oliën rijk aan linolzuur, zoals saffloer en maïs, goed zijn voor de gezondheid van het hart, en dat verzadigde vetzuren, zoals die in rood vlees en zuivelproducten, de slagaders verstoppen en zeer slecht zijn, met als gevolg hartaanvallen, hartziekten en beroertes en de dood.


In 2014, bijvoorbeeld, concludeerden voedingswetenschappers en epidemiologen op basis van een analyse van 13 studies dat de consumptie van meer linolzuur ter voorkoming van hart- en vaatziekten de gouden standaard moet zijn. maar het betrof hier 13 observationele studies. En ter gelegenheid van de campagne Veertig dagen zonder vlees zei de VUB-voedingsgoeroe Patrick Mullie die te pas en te onpas wordt opgevoerd wordt, nog maar eens dat dankzij een vleesloos regime "ook de cholesterol, en met name de "slechte cholesterol" LDL (low density lipoproteïne) zal verminderen. 40 dagen zonder vlees zorgt dat je minder verzadigde vetzuren opneemt. Die verzadigde vetzuren zorgen voor een stijging van LDL in het bloed…. teveel LDL kan tot hart- en vaatziekten leiden."


Maar er is meer. In 2013 wekte Ramsden een andere lang verloren gerandomiseerde studie tot leven, die in de jaren 1960 het zogenaamde Sydney hartdieet onderzocht. Uit der analyse van die niet-gepubliceerde gegevens — ook opgeslagen op oude magneetbanden — bleek dat vrijwilligers die een groot deel van het verzadigd vet in hun voeding hadden vervangen door meervoudig onverzadigde vetzuren met een hoog gehalte aan linolzuur een hoger risico liepen om te overlijden aan hart- en vaatziekten! Ook die studie werd ooit begraven in het archief.


Tenslotte analyseerde Ramsden's team alle vijf gerandomizeerde controlled trials over de vervanging van meervoudig onverzadigde vetzuren door verzadigde vetzuren. Besluit: niet meer overlijden omwille van hart- en vaatziekten of door andere oorzaken.
Niets in deze laatste studie toont aan dat er voordelen zijn aan verzadigde vetzuren," zegt Ramsden "maar ze zijn misschien niet zo gevaarlijk de goeroes hebben beweerd.


Niemand weet waarom de resultaten van de Minnesota studie decennia geleden lang niet werden gepubliceerd. Franz zelf was obsessioneel bezig met wetenschap en zette zijn huisgezin op een streng dieet, met absoluut geen verzadigde vetzuren. "Onze vriendjes kregen ijskreem, wij kregen waterijsjes." zegt Ivan Frantz. En Bob herinnert zich dat ze boterhammen met margarine kregen, nooit boter. Volgens Bob was zijn vader uiterst teleurgesteld in de onverwachte uitkomst van zijn onderzoek. De medeauteur van het onderzoek van Dr. Ancel Keys, die ook de beroemde Seven Countries Study deed, en die de belangrijkste propagandist was van onverzadigde vetzuren. "Het idee dat er misschien wel een negatief aspect was aan het verlagen van cholesterol [via plantaardige oliën] was onethisch en stond echt haaks op het dogma van de dag," zegt Bob Frantz in The New Scientist.


De Minnesota studie verdween naar de kelder omdat sommige wetenschappers, voedingsindustriëlen en politici een pact gesloten hadden: verzadigde vetzuren waren een aanslag op de volksgezondheid. Maar nu moet men, zeker in deze tijden, nochtans beter weten. Zo maakte de epidemioloog Dr. Rajiv Chowdhury van de University of Cambridge, in 2014 al een analyse van 78 studies met in totaal 650.000 deelnemers en concludeerde dat een "lagere consumptie van verzadigde vetzuren noch een hogere consumptie van meervoudig onverzadigde vetzuren het risico van het ontwikkelen van hart- en vaatziekten vermindert ."


Ook die studie kreeg nauwelijks de aandacht die ze verdiende. De medische nieuwssite STAT schrijft dat gereputeerde wetenschappelijke instellingen als Stanford University, Memorial Sloan Kettering Cancer Center, de University of Pennsylvania, de University of Pittsburgh en de University of California, San Diego en andere op flagrante wijze de wet die dateert van 2008 voor 95 procent van de tijd overtreden door de uitkomst van onwelgevallige klinische studies niet te publiceren.

Marc van Impe

Bron: MediQuality

10:34 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

28 april 2017

Een op vijf diagnoses hersenaandoening is fout


De Nederlandse Hersenbank zegt dat uit hersenonderzoek geregeld blijkt dat een patiënt aan een andere ziekte is overleden dan gedacht. Zo is bij bijna een op de vijf overledenen die gestorven zouden zijn aan de ziekte van Parkinson of Alzheimer sprake van een onjuiste diagnose. Ook bij dementie- en MS-patiënten speelt het probleem. De Hersenbank wil dat met het onderzoek inzicht verkregen worden in het ziekteverloop en behandelende artsen worden geholpen bij het stellen van diagnoses.


De Hersenbank verricht onderzoek op hersenen van donoren, zo'n 200 per jaar. Daaruit blijkt dat bij patiënten verschil zit tussen wat blijkt uit de hersenobductie en wat als officiële doodsoorzaak staat geregistreerd.


Neuropatholoog Annemiek Rozemuller van het VU Medisch Centrum, ook verbonden aan de Nederlandse Hersenbank, beaamt dat het moeilijk is om bij leven een diagnose te stellen. Zo is er vaak sprake van combi-aandoeningen, patiënten die last hebben van twee ziektes waarvan de symptomen op elkaar lijken. "Het is hele ingewikkelde materie. Daarnaast hebben neurologen moeite om alle beschikbare informatie over de verbetering van de diagnostiek tot zich te nemen", zei Rozemuller in het NOS Radio 1 Journaal.


"De leercurve van neurologen kan enorm verbeteren als ze van ons neuropathologen horen wat er is gevonden. Zo kunnen we vertellen dat ze bij een bepaald vlekje op een scan aan die diagnose moeten denken." Volgens haar gaat het in een op de vier gevallen mis, dan is er een andere diagnose dan de neuroloog dacht. Door de resultaten van onderzoek achteraf te delen kan volgens Rozemuller worden voorkomen dat ook bij toekomstige patiënten een onjuiste diagnose wordt gesteld.


Voor nabestaanden is het volgens Rozemuller vaak heel moeilijk om te horen dat hun dierbare aan iets anders is overleden dan gedacht. "Dat kan een enorme klap zijn, zeker als de doodsoorzaak een behandelbare ziekte was. Dan kan zo'n hele familie aan de telefoon hangen met de vraag: wat als de overledene wel was behandeld? En dan zeg ik altijd wel eerlijk dat het misschien anders had kunnen lopen. Maar dat is wel ontzettend moeilijk als arts, je wil ook niet je collega's afvallen."


Marc van Impe


Bron: MediQuality

09:03 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

27 april 2017

Zonder diagnose ben je een aansteller

 
Indien Charles Darwin in deze tijden geleefd had zou hij geen leven gehad hebben, bedenk ik, als ik die avond naar huis ga na een avondje met hooggeleerde collega’s van de geleerde vrouw. Uiteraard kwam het gesprek weer uit op de toename van het aantal burn-outs, de problematiek van de hoog-sensitieve patiënt en die miljoenen chronische zieken die onze sociale zekerheid opeten.


De media staan er vol van. Dat zou ook al de oorzaak zijn van deze epidemie. Maar daarover straks meer. De psychiater van dienst had dé oplossing: als er geen duidelijke diagnose is, stelt de patiënt zich aan. De patiënt moet zich vermannen, mag niet zeuren en is anders de hulp van ons systeem niet langer waard. Allemaal psychosomatiek. En hij kon het weten, want doceerde hij niet aan de oudste universiteit van het land en werkte hij niet al jaren als expert voor de grootste verzekeraar van het land? Die zouden er wel korte metten mee maken, wist hij. Ten bewijze van zijn stelling: hij kende geen enkele patiënt met burn-out die iets noemenswaardig gepresteerd had. Zijn voorstel kreeg hilarische bijval.


Toen dacht ik plots aan Charles Darwin. Deze vader van de genetica, die verder dus niets noemenswaardig gepresteerd had, was het prototype van de ongediagnositiceerde chronische patiënt. Darwin had last van hartkloppingen, van gerommel in de buik dat we nu IBS zouden noemen, hij had voortdurend hoofdpijn, werd duizelig als hij plots rechtkwam, hij had last van kou, rilde en zweette dan weer als een rund. Zijn biografen maken melding van hysterische huilbuien. En dan dit hedendaags modeverschijnsel: hij was vaak extreem uitgeput. Vaak was hij zo under the weather dat hij geen bezoek kon noch wou ontvangen, geen familie, geen wetenschappers, geen buren met een mandje aardbeien. Niets kon hem plezieren, hij voelde zich alleen maar beroerd.


Bovendien was Charles Robert Darwin als drop-out van de medische faculteit, omdat hij niet tegen het zicht van bloed kon, bijna voorbestemd tot psychosomatiek. Gelukkig leefde hij in de 19de eeuw en toen had men niet zo'n moeite met dit soort van aandoeningen.


En gelukkig was zijn vader een vrijdenkende arts die zich niets aantrok van de mening van anderen en zijn moeder de vermogende erfgename van de porseleinfabrikant Wedgwood. Voor de anekdote: Darwin filosofeerde ook over de voor- en nadelen van een huwelijk. Als voordelen zag deze hypochonder vriendschap en constant gezelschap en het samen oud worden. Een vrouw was volgens Darwin "sowieso beter dan een hond".


Als nadelen tekende hij dingen op als "minder geld over voor boeken" en "enorme tijdverspilling". Hij trouwde tenslotte met zijn nichtje, ook een Wedgwood, die hem niet begreep noch geloofde en vreesde dat ze in de hemel –omwille van Darwins vrijzinnigheid- in een aparte afdeling zouden terechtkomen. Wat Darwin alleen maar beaamde. Tijdens zijn leven is nooit duidelijk geworden wat zijn ziekte veroorzaakte en was er geen behandeling voorhanden.


Later zijn verschillende mogelijkheden gesuggereerd, onder andere de ziekte van Chagas, lupus, autisme, Crohn of een auto-immuunziekte. Maar waar Darwin precies aan geleden heeft blijft onduidelijk.


In Darwins 19de eeuw was het zo dat in Engeland in de betere standen de mensen om je heen aannamen dat je, als je ziek was of je ziek voelde, daar een goede reden voor had en dan had je recht op zorg en medeleven.


Je kreeg op doktersvoorschrift zelfs enkele maanden of zelfs jaren rust op het platteland voorgeschreven, wat overigens aan de oorsprong ligt van het kusttoerisme. Het zicht op de branding zou de mens weer gezond kunnen maken.


Hoe anders is dat nu. Zonder een diagnose komt een patiënt niet ver. Niet alleen is het vaak een bureaucratische voorwaarde voor medische of psychologische zorg, uit onderzoek blijkt ook dat zelfs vrienden en familieleden niet zo toeschietelijk zijn met hulp als de zieke in kwestie niet weet wat er precies aan scheelt.


Alleen lijden is niet genoeg; het moet gecertificeerd lijden zijn. En zelfs dan geeft niet elke diagnose evenveel recht op hulp, laat staan op compassie en respect. Want er is een hiërarchie: ziekten die in het lab of onder de scanner objectief en onomstotelijk zijn vast te stellen staan hoger, en diagnoses die afhangen van het onbevestigde verhaal van een patiënt lager.


Dat heet dan 'modeziekten': aandoeningen waar mensen in een bepaalde periode ineens massaal aan lijden. Dit zijn vaak kwalen waarvoor (nog) geen objectieve test is. Uit een onderzoek van KU Leuven, UGent, VUB en de Odisee-hogeschool, bij zo'n 3.350 voltijdse werknemers en 1.170 zelfstandigen over burn-out, blijkt dat één op twee Vlamingen vreest ooit aan een burn-out te zullen lijden.


Frederik Anseel, arbeidspsycholoog bij de UGent, die meewerkte aan het onderzoek zit ook op de lijn van de modeziekten: "De media berichten veel over burn-out, het probleem wordt veel besproken. Dat maakt het - op een niet-virale manier - besmettelijk. Je hoort of leest er veel over, dus je gaat er zelf ook over nadenken. En misschien herken je inderdaad wel één of een paar symptomen. Maar burn-out is een erg complex probleem. Er is geen duidelijke ontstaansgeschiedenis of oorzaak-gevolgrelatie. Dan moet je toch oppassen met zelfdiagnose."


Aan de KU Leuven wordt gewerkt aan een nieuwe vragenlijst op om de diagnose burn-out te stellen. De kernsymptomen zijn fysieke en psychologische uitputting, geheugen- en concentratieproblemen, emotioneel controleverlies, depressieve klachten en mentaal afstand nemen van het werk. Die checklist wordt nu nog wetenschappelijk getest, maar kan daarna als nieuw instrument worden gebruikt. Hij moet de vorige vervangen, die al meer dan dertig jaar oud is.


Het valt alleen maar te hopen dat de compassie-hiërarchie daaruit geweerd wordt. Zoals de psychiater bij hoog en laag beweerde dat door het ontbreken van een biologische oorzaak veel aandoeningen uitermate geschikt zijn om zich toe te eigenen: de juistheid van de diagnose valt simpelweg niet altijd te controleren. Ik lees dit ook bij psychiater Bram Bakker, die meesmuilt over "vaak jonge vrouwen, die zichzelf hoog-sensitief of licht autistisch noemen, of denken dat ze de ziekte van Lyme hebben.


Die besteden een godsvermogen aan het bij elkaar shoppen van een diagnose, maar ze moeten eigenlijk" - dixit Bakker – "gewoon niet zeiken". Alsof het hier gaat over een groepje geestelijk kleinzerige profiteurs, in plaats van mensen die van binnen pijn hebben en die proberen wat broodnodige hulp bij elkaar te sprokkelen.


Dit is de catch 22 van de geneeskunde: wie lijdt en geestelijk of lichamelijk niet meer goed kan functioneren, heeft hulp nodig, en de ruimte en rust om te herstellen. Maar om ruimte of hulp te krijgen, moet er een diagnose zijn. Als die diagnose niet hoog genoeg in de hiërarchie staat, ben je aansteller, moet je niet zeuren en verdien je geen hulp. Soms heelt tijd wonden. Maar vaak gaat pijn niet weg en verergert de ellende omdat de patiënt de juiste hulp en voldoende ruimte, respect en medeleven ontzegd wordt.


Door bijvoorbeeld onwetende arrogante psychiaters. Niet iedereen heeft de chance van Charles Darwin die af en toe in bed mocht blijven.

Marc van Impe

Bron: MediQuality

09:11 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)