05 april 2016

De weervoorspellers van de psychologie

De helft psychologische studies bevat statistische fouten, lees ik in een Nederlandse krant. Waaarom ben ik niet verbaasd. Vijfenveertig jaar zit ik in dit vak en toen ik er aan begon stond de psychologie nog in haar kinderschoenen. We kregen als student in de rechten les van een professor die zijn carrière gebouwd had op twee boekjes: Moord en Dubbelzelfmoord. Nu zou deze op zijn best omschreven worden als het werk van een morbide fantast. Toen was het verplichte vakliteratuur en hij en zijn uitgever werden elk jaar beter van zijn verzamelde fantasmen. Achteraf bleek de man net als Freud alles, maar dan ook elke case study, verzonnen te hebben.

Het zijn zware tijden voor psychologen. De uitkomsten van het onderzoek gelden voor de sociale, klinische en experimentele psychologie, lees ik. Vooral sociaal psychologen misbruiken onderzoek om de samenleving bij te sturen. Tiens, zou enige linkse flinksigheid daarbij een rol spelen? Ach, een eindje verder in een ander weekblad lees ik dat wetenschappelijke tijdschriften vaak psychologische studies met onjuistheden publiceren. Bij de helft van de studies zijn statistische fouten gemaakt. Bij één op de acht studies gaat het om grote onzorgvuldigheden in de cijfers, waardoor de statistische uitkomsten onjuist zijn. Dat concludeert de Tilburgse onderzoeker Michèle Nuijten, na een steekproef met dertigduizend artikelen. Nuijten onderzocht de studies niet handmatig, maar gebruikte een instrument dat de statistische onderdelen toetste. Voor deze studie ontwikkelde Nuijten, samen met Sacha Epskamp van de Universiteit van Amsterdam, een instrument dat statistische onvolkomenheden in studies opspoort, statcheck. Dat werkt ongeveer zoals de spellingschecker die op spelfouten controleert. Handmatig is het lastig 30 duizend studies na te pluizen. Statcheck controleert het statistische deel waaruit moet blijken of de gevonden effecten in een experiment wel of geen toevalstreffer zijn. In papers die claimden dat het gevonden effect geen toeval was, zaten vaker ernstige fouten dan in studies die niet boven de toevalligheidsgrens uitkwamen.

De Tilburgse psycholoog Jelte Wicherts deed in 2011 al soortgelijke heranalyses en kwam tot dezelfde bevindingen. In een geruchtmakende enquête onder tweeduizend psychologen gaven twee op de tien onderzoekers toe dat ze weleens data hadden weggelaten of bijgesteld. Er zijn onderzoekers die hun resultaten aanpassen aan hun conclusies in plaats van andersom. Er werd nagegaan of de conclusies van de experimenten niet op toeval waren gebaseerd. Niet dus.

De conclusies van Nuyten zijn de tweede klap in twee maanden tijd voor het psychologische vakgebied. Eind augustus bleek dat psychologische onderzoeken vaak onbetrouwbaar zijn. Het vakblad Science schreef toen dat slechts 39 procent van de studies betrouwbare resultaten genereren. Uit meer dan de helft van de experimenten kwamen andere onderzoeksresultaten toen ze gereproduceerd werden. Maar de linkse media lopen weg met de resultaten. Niet zelden is er sprake van wensdenken of bewijs over zaken die er -in de ogen van de onderzoeker- logischerwijs zouden moeten zijn. Misschien moet er eens een onderzoek gestart worden waarom voornamelijk linkse mensen deze vormen van "wetenschap" beoefenen.

Overigens is de kwaliteit van de statistiek in veel artikelen in medische tijdschriften niet veel beter dan die van de psychologen. Ook worden er regelmatig spelfouten gemaakt. Voor dat laatste kan ik moeizaam begrip opbrengen. Spellbinders en eindredacteuren zijn niet meer wat ze geweest zijn. het erge is dat vooral beleidsmakers hun beleid baseren op dit zogenaamd wetenschappelijk onderzoek. Het lijkt wel economie of metereologie: achteraf altijd een verklaring, altijd gelijk.  I rest my case.

Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

17:46 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

01 april 2016

Vrouwelijke wetenschappers worden nog altijd gediscrimineerd

In de EU en de VS zijn minder vrouwen (30%) in het wetenschappelijk onderzoek actief dan in een land als Dubai waar 50 % van het onderzoek door vrouwen verricht wordt. Dat komt niet omdat vrouwen bij ons onbekwaam zijn maar omdat ze afgeremd worden door beperkte mannen, wetenschappers, decanen en afdelingshoofden die met hun dikke hoofd in een mentaal kattenluikje blijven steken en zo nooit uit hun bedompte kamer komen.

Ik citeer voor Elizabeth Blackburn de Gentse professor geneeskunde die de onsterfelijke woorden sprak: "Je kan niet mooi én intelligent tezelfdertijd zijn." En die vervolgens de studente buisde. "Geef me een geweer," zegt ze, "en ik maak gelijk een eind aan die man zijn academische carrière." We spreken elkaar, in een chique Parijs hotel aan de rue Rivoli,  in aanloop van de uitreiking van de 18de Awards for Women in Science van de Fondation l'Oréal en de Unesco. Elizabeth H. Blackburn mag zo uithalen. Deze Tasmaanse tijger werd op 26 november 1948 geboren in Hobart, Australië,  en werd moleculair bioloog aan de University of California,  San Francisco, waar ze met haar onderzoek naar de rol van telomeren school maakte. Ze won in 2008 de award waarvan boven sprake, en in 2009 met Carol Greider en Jack Szostak de Nobelprijs voor Geneeskunde en Fysiologie voor de ontdekking van de telomerase. Ze was in de VS ook voorzitter van de President's Council on Bioethics. " de wereld heeft meer wetenschap nodig, en de wetenschap heeft behoefte aan meer vrouwen," zegt ze met een innemende glimlach die een keiharde vastberadenheid verbergt. Vrouwen zijn nog altijd niet door de 50% grens van het wetenschappelijk onderzoek gebroken. Ze lijden onder een impliciete bias die gebaseerd is op foutieve culturele presumpties die maken dat mannelijke studenten betere evaluaties krijgen, dat vrouwen gehandicapt worden omdat ze een biologische rol te vervullen hebben, lees: kinderen krijgen, dat ze andere prioriteiten leggen, en het ergste dat ze vervelende feministen zijn. Daarnaast zijn er de expliciete hindernissen, die officieel aangeklaagd worden, maar waar men maar weinig aan doet. Zo zijn ziekenhuizen en universiteiten klassieke door mannen gedomineerde omgevingen, met alle bekende gevolgen. Het is daarom dat deze prijs zo belangrijk is: hij geeft extra zichtbaarheid en bekendheid aan unieke wetenschapsters in een  domein dat vooral door mannen beheerst wordt."

Is professor Blackburn dan een voorstander van positieve discriminatie? "Absoluut," zegt ze, " ik heb het zelf gezien dat dit geen inferieure wetenschap creëert zoals men wel eens zegt, maar juist betere wetenschap. Vrouwen zijn meer dan mannen geneigd om out of the box te denken. Ze zijn een toegevoegde waarde. En het logistiek probleem om kinderen te baren, doet daar niets aan af. Dan moet je je wetenschap maar beter organiseren, daar zijn oplossingen voor. Het probleem is dat vrouwen er niet op gericht zijn om eisen te stellen. Daarom moeten we niet alleen gelijke kansen geven maar ook opleiding bieden in leiderschap, management, assertiviteitstraining geven en hen leren van zich af te bijten. We moeten talentrijke vrouwen ook vanaf de middelbare school actief aanzetten tot een wetenschappelijke carrière. De social media bieden ons wat dat betreft een unieke kans."

Blackburn haalt een klassiek mantra aan van de mannelijke professor tot zijn talentrijke doctoranda: "Je hebt een interessant artikel geschreven, maar zoek er een mannelijke co-auteur bij, dan maak je meer kans op een gunstige publicatie." Duizenden vrouwen hebben dit al moeten aanhoren. Blackburn legt de vinger op de wonde: "Zij zijn het die zorgen dat de geneeskunde verziekt. Zij zijn het die in guidelines denken, in evidence based medicine en Cochrane-lijstjes opstellen, aan de hand van wat vroeger was, in plaats van de grote problemen waarmee we geconfronteerd worden te her-denken. We moeten een big shift bewwerkstelligen. In plaats van uitsluitend acute ziekten te behandelen, die te veel sympomatisch en veel te laat behandelen,  moeten we naar de oorzaken van de ziekte zoeken en die aanpakken, we moeten naar ons zelf kijken: naar onze genetica, naar ons microbioom en naar de omgevingsfactoren. Mijn onderzoek naar de telomeren is slechts één voorbeeld."

Bij de uitreiking van de Awards  en de Research Fellowships door mevrouw Irina Bokova, directeur-generaal van Unesco, werd op 24 maart een manifest ondertekend dat een gender-gelijkwaardige vertegenwoordiging van vrouwen in de wetenschap eist. MediQuality heeft dit engagement onderschreven. U kunt ook dit manifest onderschrijven  op  de site forwomeninscience.com. daar vindt u ook de lijst en de beschrijving van de bekroonde projecten.

Marc van Impe

Bron: MediQuality

 

10:10 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

31 maart 2016

Selon la MC, le généraliste gagne 16.000 € par mois

Bonne nouvelle ! Si Luc Van Gorp, le président de la Mutualité Chrétienne ne s’est pas trompé, vous gagnez plus en tant que généraliste que vous ne le pensiez. Van Gorp n’a pas l’intention d’éluder le débat, dit-il lui-même. Nous citons : « Je veux parler d’honoraire raisonnables pour les médecins. J’ai lu la semaine dernière que les généralistes belges étaient les travailleurs les plus acharnés de toute l’Europe : ils travaillent en moyenne 51 heures par semaine et reçoivent quatre patients par heure. Faites le compte avec moi : une visite chez le généraliste revient en moyenne à 20 euros. Ils gagnent donc en moyenne 51 fois 20 euros, à multiplier par quatre puisqu’il y a quatre semaines dans un mois. Cela représente donc pour le généraliste moyen un revenu brut mensuel d’un bon 16.000 euros – et je ne parle ici que des généralistes, et non des spécialistes. Pardon ? Ne pourrions-nous pas en reparler à l’occasion ? Car cet argent est payé par les pouvoirs publics et par les patients. » 
Van Gorp se trompe. Le généraliste moyen ne gagne donc pas 16.000€.  Le président de la MC s’égare ici une fois de plus dans sa réflexion. Il n’y a aucun généraliste qui reçoit quatre patients par heure au rythme de 51 heures de travail par semaine. Pour commencer, le généraliste passe au moins un tiers de son temps, voire la moitié, à s’occuper des obligations administratives insensées avec lesquelles l’INAMI et les mutuelles tourmentent les médecins et surtout les généralistes. Je cite mon ami le généraliste : « Il y a environ 25 ans je consacrais 90% de mon temps à mes patients. Consultations, visites à domicile, un après-midi dans le home, le bien-être de l’enfance, peu importe. Le temps passait à la vitesse de l’éclair. Je n’eus qu’à peine le temps de me marier et de faire des enfants. Mais je plaisante, bien entendu. Mon travail m’amusait. Entre-temps, je ne travaille plus qu’à peine la moitié de mon temps avec mes patients. Le reste de mon énergie est consacré à l’administration, aux attestations, aux demandes d’approbation, à remplir des statistiques, je n’écris plus de lettres à mes collègues mais je me noie en revanche dans les courriels, je dois me débattre pour assimiler de nouvelles directives et de nouveaux critères de profil, suivre des formations de recyclage, et le pire de tout c’est que je dois m’entendre dire une fois de plus que je ne travaille en fait pas assez. »
Et le cabinet de mon ami tourne plutôt bien. Il y a beaucoup de cabinets de généraliste où le médecin de famille n’arrive pas à 240 consultations par semaine. Luc Van Gorp a réussi à faire publier sa vérité dans Knack Magazine du 23 mars dernier. Le collègue Walter Pauli n’avait visiblement pas bien préparé son interview ou alors il n’a pas jugé utile d’y apporter un correctif. Voilà pourquoi nous le faisons ici. 
Le Panorama de la Santé de l’OCDE paru en novembre de l’année dernière nous apprend que le revenu moyen d’un généraliste dans notre pays représente 2,3 fois le Revenu Moyen Imposable (RMI) du Belge moyen. En revanche, le spécialiste moyen – toutes disciplines confondues – gagne 6,1 fois le RMI. Mais cela représente finalement combien en langage de tous les jours ? Le revenu net imposable en Belgique s’élevait en 2012 à 16.651 euros en moyenne, selon les statistiques les plus récentes du Service Public Fédéral Économie.
Cela signifie donc qu’un généraliste aurait gagné en 2012 une somme moyenne imposable de 38.297,3€ net.  Si l’on divise ce montant par région, nous constatons que la région la plus riche de la Flandre bénéficie d’un RMI de 17.765 euros. Cela signifie que le Dr De Leeuw, généraliste flamand, a gagné 40.859,50€. Son collègue wallon le Dr Le Coq vit dans une région où le RMI n’est que de 15.736 euros. Ce qui fait un revenu de 36.192,8€. Leur collègue bruxellois, le Dr Zinnequin n’a gagné que 30.167,6€ dans une région où le RMI atteint à peine 13.312€. Bruxelles et la Wallonie enregistrent par contre les plus importantes progressions avec respectivement 8,5% et 14,7%. Il s’agit ici de chiffres annuels.
Les spécialistes font beaucoup mieux dans l’ensemble. Au niveau national, leur revenu est de 101.571,1€, en Flandre de 108.366,5€, en Wallonie de 95.989,6€ et à Bruxelles de 81.203,2€.
il s’agit de données fournies par l’INAMI qui ne dispose toujours pas du nombre précis de médecins qui travaillent encore effectivement. J’avais déjà publié une colonne en 2009 à propos du manqué à gagner des médecins. Tant l’INAMI que le Dr Marc Moens, à l’époque patron du BVAS-ABSyM, se sont jétés l’un et l’autre sur leur plume pour rectifier l’une et l’autre chose. La Ministre Laurette Onkelinx avait reconnu qu’il n’y avait que 9.259 généralistes « actifs ».
Le vice-président sortant du BVAS-ABSyM, le Dr Roland Lemye, nous avait d’ailleurs confié à l’époque qu’il n’y avait en fait que 6.000 généralistes actifs. Et le Dr Marc Moens avait calculé que le généraliste moyen avait gagné exactement 49.807€ en 2009. 
En d’autres mots : Luc Van Gorp nous raconte des balivernes. Vous n’êtes pas aussi riches qu’il ne le pense. Nous pouvons en reparler, à l’occasion.

Marc van Impe

Source : MediQuality

09:14 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)