30 januari 2016

Zijn uw kinderen intelligent genoeg?

We discussiëren over de toekomst van onze kinderen. En zo komt de professionele opvolging ter sprake. Zijn onze kinderen wel intelligent genoeg om op hun beurt arts of journalist te worden? Of zijn ze net verstandig genoeg om niet in het vak van hun ouders te stappen. Trouwens wat is een IQ waard? Je zou het IQ kunnen zien als de maximum snelheid die een auto kan halen, denk ik. De gemiddelde snelheid is 100. Haal je rond de 120 dan ben je in ons vakgebied mee. Haal je 160 dan ben je bovenmatig snel. Haal je maar 80 dan moet je geen wedstrijd rijden. Maar je komt er zo ook wel.

Is iemand die in de geneeskunde afstudeerde meer dan middelmatig intelligent? En als dat zo is, wat maakt u dan zo intelligent? Geven ouders zoiets als 'intelligente genen' überhaupt door aan hun kroost? Of wordt een kind met name slimmer door het milieu waarin het opgroeit?

Wetenschappers onderzochten het bloed van 3.500 Engelsen en Schotten, goed voor zo'n half miljoen genetische markers. Na een analyse van dat bloed en een intelligentietest, bleek dat 40 procent van de gekristalliseerde intelligentie (de mogelijkheid om kennis en vaardigheden aan te leren) bepaald wordt door de genen.

Vloeiende intelligentie, de vaardigheid om te redenen en abstract te denken, is voor  51 procent afhankelijk van de genen. De rest van intelligentie wordt bepaald door de omgeving: de mensen waarmee je omringd wordt, het schoolsysteem, de ervaringen die je opdoet.

Volgens professor Ian Deary van de universiteit van Edinburgh is het dus best mogelijk dat u minder intelligente ouders hebt, maar bent u uw genen te slim af geweest, "want werkelijke intelligentie wordt bepaald door de interactie tussen genen en je omgeving", legt professor uit. Maar in het magazine gifted@248 lees ik dat (hoog)begaafde kinderen. begeleiding nodig hebben bij het in de wereld zetten van hun begaafdheid, intensiteit en creativiteit, zodat ook zij voldoende uitdaging ervaren en onderpresteren vermeden wordt.

Volgens Tom Bouchard, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Minnesota, Verenigde Staten, die in de jaren tachtig eeneiige tweelingen aan een IQ-test onderwierp, is intelligentie zeker erfelijk. Bouchard onderzocht paren die na hun geboorte waren gescheiden en vervolgens apart opgroeiden. Bouchard ontdekte dat bij elk paar de IQ's zelfs vele jaren na de scheiding nog vrijwel hetzelfde waren. Er moest dus sprake zijn van erfelijkheid, concludeerde Bouchard als een van de eersten op grond van metingen in plaats van meningen.

De kwestie in welke mate erfelijkheid een rol speelt, is een beladen kwestie. Drs. Daniëlle Posthuma van de Vrije Universiteit Amsterdam promoveerde op een studie naar de mate van erfelijkheid van IQ-scores. Die is, zegt ze, niet alleen verrassend hoog. Ook de invloed van de omgeving en de opvoeding wordt door de meeste leken schromelijk overschat. Posthuma onderzocht drie jaar lang in totaal 688 personen van jong tot oud uit gezinnen met minimaal één tweeling. Bijzonder was dat de promovenda ook broers en zussen van die tweelingen in de studie opnam. Die delen gemiddeld de helft van de genen. De omgevingsfactoren waarin zij opgroeiden, waren nagenoeg gelijk. Ze hebben, om te beginnen, in dezelfde baarmoeder gezeten en kwamen uit hetzelfde gezin.

Alle deelnemers ondergingen de Wechsler Adult Intelligence Scale-III. Een eerste verrassende conclusie: mannen scoorden in het algemeen beter, dat vond Posthuma jammer, maar ze kan er wel om glimlachen. 'Het blijkt dat de IQ-score voor 80 tot 90 procent erfelijk is. Dit is enorm hoog. Het verschil in intelligentie tussen mensen wordt kennelijk in zeer hoge mate bepaald door het verschil in genen. En nauwelijks door directe invloeden van de omgeving.'

Posthuma: 'Maar dat wil niet zeggen dat de omgeving geen invloed heeft op een IQ-score. Je kunt er alleen niet erg goed de verschillen tussen mensen mee verklaren of voorspellen. 'Van twee eigenschappen die mogelijk samenhangen met intelligentie en die in IQ-tests ook worden gemeten, - snelheid en aandacht - bepaalde Posthuma vervolgens nog eens afzonderlijk de erfelijkheid. Mensen die sneller reageren, zijn in het algemeen slimmer. Posthuma: 'De snelheid waarmee iemand een beslissing neemt, was voor bijna 50 procent erfelijk. Interessant is dat de relatie tussen deze snelheid en IQ volledig is toe te schrijven aan erfelijke factoren.

Er zijn dus genen die zowel reactiesnelheid als IQ beïnvloeden.' Ook aandacht bleek grotendeels genetisch bepaald en een relatie te hebben met het IQ. Slimme mensen zijn niet sneller dan minder slimme, maar maakten minder fouten doordat zij zich minder lieten afleiden. En nu komt het delicate deel van het onderzoek. Alsof intelligentie en erfelijkheid op zichzelf al niet omstreden genoeg zijn, deed Posthuma ook onderzoek naar het verband tussen schedelgrootte en intelligentie. Uit de metingen werd duidelijk dat de omvang van de hersenen erfelijk bepaald is en dat een groter brein bovendien daadwerkelijk gepaard gaat met een hoger IQ.

Het volume van de grijze en witte stof blijkt voor maar liefst 90 procent genetisch bepaald. De grootte van de ventrikels blijkt daarentegen juist afhankelijk van omgevingsfactoren. Posthuma wil nu graag het DNA van de mensen die aan haar onderzoek hebben meegedaan, onderzoeken. Stel eens, zegt ze, dat intelligentie met één gen samenhangt, waarvan slechts twee varianten bestaan: A die tot een verhoogd IQ leidt, en B die het IQ juist verlaagt.

Een slimme ouder (AA) en een domme ouder (BB) krijgen dan altijd gemiddeld kroost (AB), maar gemiddelde ouders (AB) misschien wel heel slimme kinderen (AA). Of heel domme (BB).Het is echter ondenkbaar dat intelligentie met maar één gen samenhangt. Er zijn, schat Posthuma met de natte vinger, misschien wel twintig genen in het spel, die elk een relatief klein effect zullen hebben. Zelfs als al die genen zijn geïdentificeerd, blijft de intelligentie van nageslacht gewoon de loterij die Moeder Natuur er vast mee had bedoeld.

Intelligentie helpt ons in elk geval vooruit in het leven. Uit Amerikaans onderzoek is gebleken dat mensen van betere sociale komaf daar weliswaar voordeel uit halen bij de aanvang van hun loopbaan, maar daarna is het vooral intelligentie die mensen vooruithelpt in hun carrière. Maar er zijn ook nadelen: intelligente mensen zijn bang. Hoe intelligenter mensen zijn, des te meer hebben ze last van angststoornissen. Vermoedelijk zijn angst en intelligentie samen geëvolueerd in het verleden. De combinatie van angstgevoelens met intelligentie moet een evolutionair voordeel zijn geweest voor onze voorouders. Intelligente mensen hebben wel vaker nieuwe ideeën. Volgens een Amerikaanse studie bestaat er ook een link tussen intelligentie en progressiviteit.

Jongeren die zich 'erg conservatief' noemden, hadden in dat onderzoek gemiddeld een IQ van 95. Jongeren die zichzelf 'erg progressief' noemden, hadden gemiddeld een IQ van 106. Maar belangrijker is dat intelligentie geen waarborg is voor succes. Daar heb je motivatie voor nodig. Uit een Duitse studie is gebleken dat bij wiskunde intelligentie minder belangrijk werd naarmate kinderen beter gemotiveerd zijn. Malcolm Gladwell, de auteur van Outliers hanteert de vuistregel van 10.000 uren: succes blijkt er pas te komen als je echt iets onder knie hebt en daarvoor moet je minstens 10.000 uren geoefend hebben, wat neerkomt op 3 uur per dag gedurende 10 jaar. Voor uitzonderlijk succes zijn drie voorwaarden nodig: talent, kansen en oefening.

Ook politiek gezien heeft een IQ zijn belang: Intelligente mensen klinken alleen minder racistisch, omdat ze weten wat ze horen te zeggen.   Intelligente mensen kunnen hun racisme dus gewoon beter maskeren. Intelligente samenlevingen zijn wel gelukkiger. Er bestaat een link tussen de scholingsgraad van landen en de factor geluk. De Brusselse prof. Em. Huisartsgeneeskunde Willem Betz schreef ooit: "Aan elke universiteit lopen wel een aantal genieën rond die echte bollebozen zijn in één bepaald aspect, maar anderzijds echte sociaal gehandicapten zijn, gewoon gestoord gedrag zelfs.. "

Die bollebozen zijn dus niet echt intelligent want David Wechsler, ontwerper van de WAIS en de Wechsler Intelligence Scale for Children (WISC), beschouwt intelligentie als het vermogen om doelgericht te handelen, rationeel te denken en effectief met de gebeurtenissen in je omgeving om te gaan. Uitgebreider nog is de definitie uit 1994 door 52 prominente psychologen werd ondertekend: 'Intelligentie is een zeer algemene mentale vaardigheid die onder andere inhoudt: het redeneervermogen, het planningsvermogen, het vermogen problemen op te lossen, het abstracte redeneervermogen, het vermogen complexe ideeën te begrijpen en het vermogen om snel te leren uit ervaring. Intelligentie is niet gelijk aan kennis uit boeken of aan academische vaardigheid. Intelligentie is meer dan het vermogen om intelligentietesten goed te kunnen uitvoeren, het is een bredere, veelomvattende vaardigheid die ons in staat stelt onze omgeving te begrijpen, een betekenis te geven aan dingen en gebeurtenissen en te beslissen wat voor actie we moeten ondernemen.'

"En waarom zou je dat eigenlijk meten?" vraag ik me af. Een IQ-meting blijft een momentopname. Ziekte, slaapgebrek, stress, faalangst, impulsiviteit en (gebrek aan) motivatie zijn allemaal factoren die de testresultaten sterk kunnen beïnvloeden. Bovendien kun je trainen voor een IQ-test. Dat kan je tot wel 20 extra IQ-punten opleveren. Robert Sternberg, een invloedrijke Amerikaanse intelligentieonderzoeker, maakte een paar jaar geleden bekend dat hij als scholier keer op keer laag scoorde op IQ-tests. Niettemin wist de man een universitaire studie psychologie af te ronden, is hij gepromoveerd en schopte hij het tot directeur van een onderzoeksinstituut aan Yale.

Het zal niet verbazen dat Sternbergs carrière draait om het aan de kaak stellen van onze IQ-obsessie. Ik kan hem alleen maar gelijk geven. Overigens blijkt op lange termijn het nuttigen van alcohol een goede gewoonte. Waarschijnlijk komt het door het gunstige effect ervan op de bloedvaten (en dus op de zuurstofvoorziening van ons brein) dat matige drinkers in IQ-tests consequent iets hoger scoren dan geheelonthouders. QED.

En daarover is ons genootschap, hier aan de bocht van de rivier, het roerend eens. De vraag is nu hoe je je Orval het beste drinkt op kamer- of op keldertemperatuur. Dit schreeuwt om onderzoek!

Marc van Impe

Version française : Vos enfants sont-ils suffisamment intelligents?


Bron: MediQuality

08:53 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

29 januari 2016

Docteur 2.0: tout est possible, rien ne se passe

Au cours d'une réception, nous refaisions le monde. Celui qui tenait tout le temps le crachoir était un jeune quadra, le port altier, convaincu de sa supériorité, glissant un regard condescendant sur toute l’assemblée et scrutant à répétition son smartphone. Car il n’était pas impossible que l’on ait désespérément besoin de lui quelque part. En tant que médecin urgentiste, il court d’une réunion à l’autre, cite des extraits de rapports annuels, d’agendas politiques, de plans de reconversion, de projets de rationalisation et d’expansion. Il se sent comme un poisson dans l’eau quand il se trouve parmi des consultants et des experts.

Selon lui, il est sa propre version 2.0. Il est l'homme qui remet chaque jour les pendules à l'heure dans toutes les pièces de la maison. Et cependant, il n'a jamais de temps à consacrer à un patient. On se demande vraiment pourquoi des personnes comme lui ont fait des études de médecine.

Je crois que les docteurs en médecine ont fait ces études en raison de leur intérêt pour les soins médicaux, et non parce qu'ils sont intéressés par la gestion et l'informatique. Les médecins préfèrent s'investir dans les affaires médicales. C'est bien ce qui explique pourquoi ils exercent au mieux leur profession au sein d'un petit cabinet, où il est beaucoup plus facile d'intégrer rapidement et de la meilleure façon qui soit les développements les plus récents.

Les hôpitaux, ont contraire, ont cette pulsion irrésistible de se développer pour passer à une échelle supérieure. La réussite y est jugée en étroit lien avec la croissance. Mais cela présente des désavantages: plus le champ d'action est étendu, plus tout changement devient rapidement un projet de taille onéreux.

La mise en place de nouvelles dispositions exige de surcroît beaucoup de temps et d'énergie. Le médecin ne dispose pas de ce temps. Sa liste de rendez-vous avec ses patients déborde, il doit constamment se mettre à jour, acquérir de nouvelles compétences et n'a ainsi plus un moment à consacrer à sa famille et à lui-même.  

2 .0 proclame que les médecins sont conservateurs, et il veut changer cette mentalité. Mais il se plaint de l'importance de la résistance. Il a parfois l'impression d'essayer de nager dans un énorme bassin de  gelée anglaise. Je sais d'expérience que les médecins n'aiment pas le changement. L'homme a l'esprit routinier en général et réussit chaque fois à pouvoir travailler de la manière la plus confortable qui soit. C'est ce qui fait que le médecin hospitalier a créé sa propre zone de confort et qu'il est dès lors si difficile de l'en extraire. Si tout se passait toujours aussi bien, pourquoi changerait-il?

2.0 nous parla encore des forces du marché et de la manière dont elles opèrent. Le positionnement de l'hôpital par rapport à son environnement. Il nous parla de sphères d'influence, de recrutement, de réseautage, de prestations de service…Les médecins qui se trouvaient en notre compagnie se regardèrent à la dérobée. Chacun d'entre eux a un agenda bourré à craquer, ils ont fait leur plein de patients, alors pourquoi y ajouter encore plus de travail, plus de patients. Les listes d'attente commencent à être appliquées de manière draconienne. Mais qu'il s'en aille donc avec ses forces de marché. 

J'en suis convaincu, cela deviendra un oratio pro domo. 

Il n'obtiendra pas le moindre changement de cette manière.

Je m'interroge: a-t-il déjà demandé à ses collègues ce qu'ils pensaient de ses projets? Cela pourrait être un modeste début. Il vaut bien mieux commencer à petite échelle, demander au médecin et au patient ce dont ils ont besoin, s'y adapter et oser s'arrêter, accompagner et recommencer. Je parie que dans un tel cas il ne se trouvera aucun médecin qui refusera de participer.

Marc van Impe

Bron : Medi Quality

09:10 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

Dokter 2.0: "Sterk in management en informatica, maar oog voor de patiënt ?"

We praten op de receptie bij over de stand van zaken, zoals dat heet. Het hoge woord wordt gevoerd door een jonge veertiger, neus in de wind, iemand die over iedereen heen kijkt en om de haverklap zijn smartphone moet checken. Want hij zou wel eens ergens kunnen gemist worden. Als urgentiearts spoedt hij zich van vergadering tot vergadering, hij citeert uit jaarverslagen en beleidsplannen, reconversieplannen, afslankings- en expansieplannen, hij voelt zich als een vis in het water onder consultants en experten. Van zichzelf zegt hij dat hij zijn eigen 2.0 versie is. Hij is de man die elke dag in elke kamer de klokken gelijk zet. Maar waar hij het nooit over heeft is de patiënt. Van zo’n mensen vraag je je af waarom ze geneeskunde gestudeerd hebben.

Ik geloof dat dokters geneeskunde zijn gaan studeren vanwege hun interesse in de medische zorg, niet vanwege interesse in management en informatica. Dokters investeren het liefst in medische zaken. Daarom werken ze het best in een  kleine praktijk, waar het veel makkelijker is om snel en adequaat op nieuwe ontwikkelingen in te spelen. Ziekenhuizen hebben de onweerstaanbare drang tot schaalvergroting. Groei is daar ook de norm voor succes. 

En dat heeft zo zijn nadelen:  in een grote omgeving wordt elke verandering al snel een groot en duur project. Bovendien kost het veel tijd en energie om nieuwe dingen op te zetten. Die tijd heeft de dokter niet. Die heeft een overvolle wachtlijst met patiënten, die moet bijleren, nieuwe vaardigheden onder de knie krijgen en heeft zo al geen tijd voor zichzelf of zijn gezin.

Dokters zijn conservatief, oreert 2.0, en hij wil daar verandering in brengen. Maar de weerstand is groot, klaagt hij, soms heeft hij de indruk dat hij in een groot bad drilpudding probeert te zwemmen. Ik weet uit ervaring dat dokters een hekel hebben aan verandering. De mens is een gewoontedier dat er telkens weer in slaagt om de voor meest comfortabele manier te werken. Dat maakt dan ook dat de ziekenhuisarts zijn eigen comfortzone gecreëerd heeft en daar maar moeilijk uit te halen is. Als het altijd zo goed ging zoals het ging, waarom zou hij dan veranderen?

2.0 heeft het over marktwerking. De positionering van het ziekenhuis tegenover zijn environment. Hij heeft het over invloedsferen, rekrutering, netwerking, serviceverlening… De dokters in ons gezelschap kijken elkaar sluiks aan. Ieder van hen heeft een overvolle agenda, patiënten  zat dus, waarom nog meer werk, nog meer patiënten. De wachtlijsten beginnen soms draconische vormen aan te nemen. Ga weg met je marktwerking.

Ik zie het al, dit wordt een oratio pro domo.

Op die manier krijgt hij er geen enkele verandering door.

Heb je je collega's gevraagd hoe zij over jouw plannen denken?, bedenk ik. Misschien zou dat een bescheiden begin kunnen zijn. Begin kleinschalig, vraag de arts én de patiënt wat hun behoefte is, pas je aan en durf te stoppen, bij te sturen en opnieuw te beginnen. Ik wed dat in dat geval geen enkele dokter weigert mee te doen.

Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

08:48 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)