20 maart 2018

Laatstejaars geneeskunde hebben weinig kennis van medicijnen

Geneeskundeopleidingen in Europa moeten hun curriculum verbeteren zodat beginnende artsen deskundiger zijn in het voorschrijven van geneesmiddelen. Dat blijkt uit onderzoek van klinisch farmacoloog David Brinkman. "Het blijkt dat een behoorlijk deel van de bijna afgestudeerde artsen in Europa momenteel niet goed in staat is om effectief en veilig geneesmiddelen voor te schrijven." David Brinkman promoveerde op 15 maart bij de VUmc te Amsterdam.

Vrijwel elke arts schrijft dagelijks geneesmiddelen voor. Maar zijn bijna afgestudeerde artsen in Europa wel voldoende in staat om verantwoord geneesmiddelen voor te schrijven? En hoe worden zij op deze taak voorbereid? Brinkman onderzocht het niveau van farmacotherapeutische kennis en vaardigheden van 895 laatstejaarsgeneeskundestudenten van 17 Europese universiteiten. Deze studenten werden gevraagd een gevalideerde online assessment te maken bestaande uit een kennistoets, patiëntcasuïstiek en een vragenlijst. De inhoud van de assessment was gericht op kennis en vaardigheden die iedere geneeskundestudent zou moeten hebben om rationeel voor te kunnen schrijven op het moment van afstuderen.

Ondanks dat er verschillen waren tussen de universiteiten bleek dat de laatstejaars geneeskundestudenten in Europa onvoldoende kennis hadden over essentiële geneesmiddelen en dat zij veel fouten maakten in geneesmiddelrecepten voor veelvoorkomende ziektebeelden zoals essentiële hypertensie en community acquired pneumonia (CAP). Zo schreven studenten regelmatig minder effectieve geneesmiddelen voor, vulden recepten onvolledig in en/of maakten fouten in de dosering. Studenten die probleem georiënteerd klinische farmacologie en farmacotherapie-onderwijs hadden gevolgd (met name universiteiten in Noordwest-Europa) hadden significant betere kennis en vaardigheden dan studenten die traditioneel onderwijs hadden gevolgd (met name universiteiten in Oost- en Zuid-Europa).

Brinkman vond dus dat veel bijna afgestudeerde artsen niet goed in staat zijn om geneesmiddelen effectief en veilig voor te schrijven. De meerderheid van de studenten voelde zich zelf ook onzeker over hun farmacotherapeutische competentie en vond dat de kwantiteit en kwaliteit van het klinische farmacologie en farmacotherapie-onderwijs tijdens de geneeskundeopleiding onvoldoende was. Deze bevindingen suggereren dat het klinische farmacologie en farmacotherapie-onderwijs in veel Europese universiteiten niet adequaat is. Eén van de belangrijkste oorzaken voor het gebrek aan deskundigheid ligt dus bij de opleiding. Brinkman: "Het onderwijs is bij de meeste opleidingen in Europa nog erg traditioneel. Kennis wordt alleen verkregen uit hoorcolleges en zelfstudie uit boeken. We zagen dat studenten die meer praktijkgericht onderwijs volgden betere kennis en vaardigheden hadden dan studenten die traditioneel onderwijs volgden."

Brinkman doet meerdere aanbevelingen om het onderwijs in Europa te moderniseren. Zo kunnen pas afgestudeerden bekwamer worden in het voorschrijven van geneesmiddelen. Brinkman: "Studenten moeten meer in de praktijk worden getraind. Dit kan met simulatie of echte patiënten onder begeleiding van ervaren artsen." Daarnaast vindt hij dat er een verplicht voorschrijfexamen moet komen voor alle Europese landen. Geneeskundestudenten in Europa moeten dit examen halen voordat zij hun voorschrijfbevoegdheid krijgen. Op deze manier hoopt Brinkman de kwaliteit en veiligheid van de patiëntenzorg te verbeteren.

Verkeerd voorgeschreven medicatie leidt tot stijging van het aantal ziekenhuisopnames, constateerde een rapport van het ministerie van Volksgezondheid vorig jaar. Dat gebeurt vooral in de groep van 65-plussers, die de meeste medicatie gebruikt. Het gaat om bijna 50.000 geneesmiddelengerelateerde ziekenhuisopnamen. Bijna de helft was potentieel vermijdbaar.

Verkeerd voorschrijfgedrag veroorzaakt ook sterfgevallen. In Nederland wordt geschat dat het gaat om 1250 doden per jaar. "Maar ik kan op grond van mijn onderzoek geen schatting geven," aldus Brinkman, zelf arts en klinisch farmacoloog, in Het Parool. Nederlandse studenten scoren net als Engelsen en Zweden beter dan hun collega's in Zuid- en Oost-Europa. Dat heeft vooral te maken met het meer praktijkgerichte onderwijs. "Als je in de praktijk veel oefent, leer je meer dan wanneer je alleen maar boeken leest," aldus Brinkman. Maar ook bij Nederlandse studenten is verbetering nodig. "Onderzoek onder net afgestudeerde Engelse artsen laat zien dat tien procent fouten maakt bij het voorschrijven. Nederlandse cijfers zijn er niet, maar dat zal erbij in de buurt liggen, vermoed ik."

Brinkman zegt ook dat artsen en apothekers beter zouden moeten samenwerken. Tevens beveelt hij aan tot een verplichte geneesmiddelentoets bij alle Europese faculteiten geneeskunde.

Marc van Impe

Bron: MediQuality

09:14 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

19 maart 2018

Hoelang duurt het voordat u vergeten zal zijn?


Ik krijg een facebookbericht binnen. De vader van een student is overleden. Niets onverwacht. De meesten onder ons eindigen hun leven als wees. Ik antwoord hem met de -naar ik mag hopen- troostende gedachte dat we pas echt dood zijn als niemand meer aan je denkt.

Elk weekend gaat er wel iemand dood die we van dichtbij of veraf kennen. Bij de koffie bedenk ik dat dat vergeetproces wel heel erg snel kan gaan. Bij het toegangsexamen placht ik mijn kandidaat-studenten een namenlijst voor te leggen waarop ze moesten aanduiden wie en waarom hij of zij op die lijst figureerde. Op die manier testen wij hun kennis van de recente geschiedenis en de actualiteit. Telkens blijkt dat bij jongeren bekende namen uit de vorige eeuw, totaal blanco in hun geheugen zijn. Hoe lang blijft een naam in het publieke en individuele geheugen hangen? Ik ben mijn familie nog niet vergeten, ik ken nog de verhalen over de ouders van mijn ouders. Ik herinner me zelfs verhalen die mijn oma vertelde over haar ouders, broers en zusters. In mijn familie hebben we een ijzeren geheugen. Dat gaat dus over mijn overgrootmoeder en overgrootvader.

Maar over mijn betovergrootouders weet ik eigenlijk niets meer dan dat ze aan vaders zijde een soort herenboeren waren en langs moeders kant landarbeiders, die daarnaast in de ontluikende industrie bijklusten, of omgekeerd. We spreken dus over het laatste kwart van de negentiende eeuw. Ik kan uitrekenen wanneer ze ongeveer geleefd hebben. Mijn opa's en oma's zijn geboren tussen 1890 en 1900, mijn overgrootouders dus ongeveer rond 1870 en mijn betovergrootouders pakweg rond 1840. Ionica Smeets, een Nederlandse wiskundige, wetenschapsjournaliste en hoogleraar wetenschapscommunicatie aan de Universiteit Leiden schreef vorige week dat er over zo'n honderdvijftig jaar later niemand meer is die nog over iemand verhalen vertelt.

En dat dat logisch en onvermijdelijk is. Ze berekende dat ze zestien voorouders heeft. "Zestien mensen met dromen en ambities. Zonder wie ik er nooit geweest was. Met levens waarvan ik niets weet. Natuurlijk kan ik op zoek in archieven, maar ineens dringt tot me door dat deze redenering ook de andere kant op werkt. Hoelang duurt het voordat ik vergeten zal zijn? Als het meezit, word ik op mijn zestigste oma. (Ionica is 38, mvi) Zeg dat de volgende generatie komt als ik negentig ben (als ik dat überhaupt haal natuurlijk) en dat ik dan lang genoeg leef om door mijn achterkleinkinderen herinnerd te worden. En stel dat die achterkleinkinderen honderd worden en zich mij tot aan het eind van hun dagen herinneren (het begint allemaal wel erg hypothetisch te worden). Zelfs dan is er over honderdvijftig jaar helemaal niemand meer die aan me denkt."

Ik denk aan mijn moeder die 93 wordt en die nog een ijzeren geheugen heeft waar geen roest op zit. Tussen haar en mijn jongste kleinkinderen liggen ruim 85 jaren. Hoe lang zullen ze over haar verhalen vertellen, zij die als enig kind, de stammoeder werd van acht kinderen, achttien kleinkinderen en tweeëndertig achterkleinkinderen? Zullen zij zich haar nog herinneren in deze tijden waarin we ons geheugen hebben uitbesteed aan een simkaart of een usb-stick ? In deze tijden dat een geluksgevoel afhankelijk wordt van het aantal likes iemand op Facebook scoort? Een gelukkig mens liket niet, bedenk ik. Een gelukkig mens is niet hij die de realiteit naar zijn hand wil zetten maar die iets wil presteren op een manier dat hij zichzelf in de spiegel kan kijken.

En dan schieten mijn gedachten naar Maggie De Block waarvan ik lees dat de ooit in Wallonië zo populaire minister, niet langer meer in de Franstalige top tien figureert. Is dat erg? Ik denk aan alle minister van Volksgezondheid die ooit gekend heb. Sommigen hadden gewoon een slechte adem, anderen heb ik geïnterviewd maar ze hadden niets te vertellen, met andere heb ik serieuze meningsverschillen gehad en werd ik op het eind toch bevriend, zoals met mijn buurman. Wie kent nog Leburton, Piet De Saeger of Jacques Santkin of Didier Donfut? Mijn studenten in elk geval niet. Ik denk aan een hoge pief bij het Riziv die straks met pensioen gaat en die de toekomst achterlaat die hij zo ingewikkeld gemaakt heeft dat men bijna geen opvolger voor hem dreigde te vinden. Hij bestaat straks niet meer, hij verdwijnt in het behang. Hij lijdt aan de welvaartsziekte van deze tijd: de zelfoverschatting.

Ik besluit dat ik woensdagavond mijn kleinkinderen verhalen ga vertellen over hun opa en oma, nu we hier nog zijn. Zoals mijn opa onuitwisbaar de verhalen over zijn belevenissen aan het front van 14-18 in mijn geheugen prentte. Zoals ik mijn oudere broer voor mij zie, ook al is die al meer dan een halve eeuw verdwenen. En dan besef ik dat ik, die over alles en nog wat een mening heb, gewoon blij ben dat ik leef. Dat het leven geen powerpointpresentatie is maar een verhaal dat nog niet af is. En dat dit misschien later ooit door iemand gelezen zal worden, op een quantumlaptop naar ik vermoed.

Weet u hoelang het zal duren voor u vergeten zal zijn?

Marc van Impe

 

bron: MediQuality

 

20:08 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

15 maart 2018

Uw praktijk? Het teken aan de wand


Het Ancien Régime in de geneeskunde heeft zijn laatste jaren ingezet. Er is een ontwikkeling aan de gang die voor een echte paradigmashift zal zorgen. De tijd van individuele artsenpraktijk, zeker als het gaat om de technische specialisaties, zal over een paar decennia alleen nog maar een verre herinnering zijn. En het zullen niet de overheid, noch de verzekeraars zijn, die de privé praktijk op slot draaien maar een actor die zich nu al rücksichlos in de wereld van de gezondheidszorg binnendringt.

Ik las het voorbije weekend in de financiële pers het bericht dat de zelfstandige tandartspraktijk lijkt uit te sterven. Jonge tandartsen verkiezen een groepspraktijk, waar de werkuren flexibeler zijn en de infrastructuur gedeeld kan worden. De huisartsen kennen deze evolutie. Een praktijk wordt een onderneming. Dezelfde trend ontwikkelt zich in de specialistische geneeskunde. Jonge artsen denken anders. De millennials geloven niet meer in dagen van 12 uren werken, avond- en weekendconsultatie. Die willen een leefbaar leven, met tijd voor zichzelf en hun gezin. En met een goed, gegarandeerd inkomen.

Komt daarbij dat een artsenpraktijk, zeker als het om een technische specialiteit gaat, door de toenemende techniciteit een zware financiële investering wordt. Zoals een radioloog ons onlangs nog antwoordde op de vraag wanneer hij met pensioen plande te gaan: "De dag dat mijn nieuwe apparatuur afbetaald is." Nogal wat artsen beginnen zich te realiseren dat ze niet voor zichzelf werken maar voor de bank.

En dat geldt ook voor de groepspraktijken. Het zijn dus geen groepspraktijken die de vrijgekomen plaatsen zullen innemen maar investeerders die hier een nieuwe opportuniteit zien. Terug naar de tandartsen. Groepspraktijken van tandartsen worden in ons land in snel tempo opgeslokt door internationale ketens. En eens te meer komt die trend uit het Noorden. In Finland werkt al een op de drie tandartsen voor een keten. In België is dat voorlopig slechts vijf procent, ‘maar dat aantal dikt aan', benadrukt de woordvoerder van het Verbond van Vlaamse Tandartsen.

De Nederlandse keten DentConnect, die minder dan een jaar geleden naar ons land kwam, telt hier intussen al twaalf praktijken. Tegen het einde van het jaar moeten dat er 20 zijn, maken de Nederlanders zich sterk. De Zwitserse keten Colosseum Dental, de grootste in Europa met meer dan 200 vestigingen in Scandinavië, het Balticum, Nederland, Duitsland, Zwitserland en Italië, opent zijn website met een simpele boodschap: "We want to provide modern, quality dentistry services for the benefit of patients, dentists, employees and shareholders, striving for continuous growth and excellence." Colosseum Dental komt binnenkort naar België. Achter de keten zit de Jacobs Holding, ook bekend van chocoladeproducent Barry Callebaut, met aan het hoofd de Belg Patrick De Maeseneire, de CEO van Jacobs Holding, is voorzitter van Colosseum Dental. ‘De consolidatie in Europa is nog maar net begonnen', zegt de CEO van de chocolademultinational. CD stelt nu al meer dan 4000 tandartsen tewerk. Ons land telt circa 6.000 tandartsen, waarvan 4.400 in Vlaanderen.

Komt daarbij de leeftijdsfactor. Weer neem ik de tandarts als typevoorbeeld. Meer dan de helft van de tandartsen in Europa is ouder dan 50. Investeringsfondsen kunnen die eenmanspraktijken van tandartsen die met pensioen gaan relatief goedkoop opkopen, vervolgens groeperen, en vijf jaar later met een flinke meerwaarde opnieuw verkopen. ‘Voor een tandartspraktijk betaal je 3 à 4 miljoen euro. Als je die goed kan consolideren, maak je daar snel een veelvoud van', zegt een sectorkenner in De Tijd. Een voorbeeld: toen het Nederlandse investeringsfonds Bencis in 2011 investeerde in DentConnect, dat in 2010 door tandartsen werd opgericht, had het een omzet van 16 miljoen euro. Vijf jaar later was dat 200 miljoen euro.

De ketens van tandartsen centraliseren de administratie, het personeelsbeheer en de aankopen van apparatuur, waardoor ze de kosten drukken en de rendabiliteit opkrikken. Zoals DentConnect dat omscrhijft: "Juist het uitgebalanceerde evenwicht tussen klinische knowhow en commercieel inzicht maakt van DentConnect een succesformule, die zorgt dat tandartsen zich weer volledig kunnen concentreren op het werk aan de stoel."

Dit groeimodel trekt ook Belgische investeringsfondsen aan, zoals Gimv. Niets belet dat dit ook zou gebeuren met praktijken van medische specialisten waar de technologie een steeds belangrijker rol gaat spelen.

Een volgende stap wordt het beheer van ziekenhuisafdelingen zoals operatiekwartieren en beeldvorming. Investeerders doen nu al ervaring op met het beheer van rusthuizen en woonzorgcentra.

Voor de betrokken artsen kan dit een nieuwe opportuniteit zijn. Zij kunnen zich concentreren op hun kernopdracht: het verstrekken van de best mogelijke medische zorg. Met meer tijd voor de patiënt, de bijscholing, en voor zichzelf.

Het wordt de hoogste tijd dat alle betrokken actoren zich daarover bezinnen. Het mene mene tekel, het teken aan de wand, is al geschreven. Dit was een poging tot vertaling.

Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

18:45 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)