27 maart 2018

MediQuality column leidt tot vragen en wetsvoorstellen

 

Nadat De Morgen (DM 26.03.18 :Ook Belgische artsen besnijden vrouwen) en Het Laatste Nieuws gisteren een interview publiceerden met Marc van Impe naar aanleiding van zijn column waarin hij onthulde dat Belgische artsen meewerken aan vrouwenbesnijdenis, reageerde CD&V-Kamerlid Els Van Hoof. Vandaag stelt ze in de commissie Volksgezondheid twee wetsvoorstellen voor die een betere bestrijding van vrouwelijke genitale verminking mogelijk moeten maken.

Een eerste voorstel moet het spreekrecht van medici uitbreiden. Van Hoof: "Het beroepsgeheim doorbreken kan nu alleen als minderjarigen of vrouwen in een kwetsbare positie betrokken zijn. Die beperking willen we uit de wet." Van Hoof vindt dat zorgverleners altijd spreekrecht moeten hebben "ongeacht leeftijd of positie van het slachtoffer". Op die manier zouden meer mensen de stap naar het een procureur-generaal kunnen zetten en aandringen op een gerechtelijk onderzoek. De politica moet toegeven dat zoiets tot op heden niet gebeurt.

"Daarom ook een tweede voorstel dat verplichte registratie van vrouwenbesnijdenissen mogelijk moet maken." Als ziekenhuizen deze gegevens over het aantal en soort van besnijdenissen consequent bijhouden, kan volgens haar wetenschappelijk onderzoek op poten worden gezet en meer gerichte actie ondernomen.

De twee voorstellen kregen eerder reeds een positief advies in de commissie Justitie. Van Hoof: "Ik denk dat er een grote kans is dat de meerderheid zich hier achter zal scharen. Hopelijk worden ze voor de zomer nog gestemd."

Ook N-VA-Kamerlid Valerie Van Peel reageerde op de aanwijzingen dat Belgische artsen vrouwen zouden besnijden. Zij verwacht "een duidelijk signaal" van de Orde der Artsen. "Zij moeten duidelijk maken dat dit een bijzonder ernstig misdrijf is."

Veertien dagen na publicatie van ons intern onderzoek naar de wanpraktijken in sommige artsenpraktijken, komt er dus reactie. Het kabinet De Block liet gisteren al weten dat het een onderzoek instelt.

Marc van Impe


Bron: MediQuality

19:54 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

IT te complex voor huisartsen?



​In de gedigitaliseerde gezondheidszorg staat de positie van de huisarts op het spel. Er is sprake is van een digitaliserings-paradox: de huisarts is tevreden over het dagelijks gebruik van IT, terwijl in de nabije toekomst een digitale transformatie noodzakelijk is om zijn sleutelrol in de eerstelijnszorg te waarborgen. Om het tij te keren moet de beroepsgroep nu op basis van een heldere toekomstvisie op regionaal niveau aan de slag met landelijke support. Dit concludeert Nictiz naar aanleiding van een onderzoek in deze whitepaper ‘Toekomst digitalisering eerstelijnszorg Huisartsen’.

Er is echter in de sector (huisartsen en IT-leveranciers) iets bijzonders aan de hand. Om te willen en te kunnen veranderen moet het "probleem" duidelijk zijn en de last worden ervaren. Geconcludeerd wordt dat de "pijn" op het gebied van digitalisering op dit moment (nog) onvoldoende wordt gevoeld. Zicht op het probleem en een breed gevoel van urgentie "sense of urgency" ontbreekt. De huisarts is dagelijks druk om de zorg voor de patiënten goed uit te voeren. De afzonderlijke systemen die daarbij worden gebruikt, beschikken over voldoende functionaliteit om de dagelijkse werkzaamheden te ondersteunen.

Daarbij wordt er door huisartsen veel waarde gehecht aan routine en vasthouden van het goede en het bekende. In een interview werd aangegeven dat ‘'je raakt gewend aan het ongemak dat je met IT hebt''. Huisartsen zijn niet per definitie IT-minded. IT en de visie daarop zit niet in de opleiding en de dagelijkse routine. Ook is de "winst" om op het gebied van IT te veranderen onvoldoende aanwezig en niet duidelijk. Een huisarts, HA-praktijk, zorggroep en gezondheidscentrum die van IT-leverancier verandert, haalt extra werk, kosten en risico's binnen de muren van zijn/haar onderneming. Hij/zij wordt, zoals een van de geïnterviewden aangaf, gevraagd om anders te leren zwemmen zonder dat duidelijk is of de overkant met de andere "slag" wordt gehaald. Je weet wat je hebt en niet wat je krijgt. Inzicht ontbreekt in alternatieven, niet duidelijk is de continuïteit en strategie van IT-leveranciers en onbekend is waar "digitalisering" zich de komende jaren naartoe ontwikkeld.

De sector (eerste lijn en IT-markt) lijkt door de ontstane situatie een richting te zijn ingeslagen, waarbij de focus primair op de korte in plaats van de lange termijn wordt gelegd. Wet- en regelgeving, integratie en het oplossen van speerpunten (o.a. verhuisberichten-problematiek) zijn de belangrijkste prioriteiten. Vernieuwing vindt ongericht plaats en wordt beperkt door de kaders waarbinnen huisartsen en IT-leveranciers acteren (o.a. visie, structuur, cultuur, mensen en middelen).

Geconcludeerd wordt dat er ten aanzien van de eerstelijnszorg IT sprake is van de zo genaamde "digitaliserings-paradox":

‘' …….een paradoxale situatie is ontstaan: er is tevredenheid over het dagelijks gebruik van IT en gewenning is ontstaan aan "ongemak" versus in de nabije toekomst is een ‘'digitale transformatie'' noodzakelijk zodat de eerste lijn de sleutelrol waar kan maken die zij strategisch en maatschappelijk in de zorg krijgt toegedicht."

Uit het rapport komen vijf (IT-)problemen in de huisartsenzorg naar voren.

Allereerst is er een beperkte ontwikkelcapaciteit voor vernieuwing bij IT-leveranciers. Daarnaast moeten huisartsen volgens het Nictix meer investeren in IT en in ‘organisatorische veranderingen die voor innovatie nodig zijn'.

Ook ontbreekt het aan een ‘landelijk gedragen digitale toekomstvisie en meerjarige roadmap voor de eerste lijn' en organiseren huisartsen zich onvoldoende eenduidig als klant richting IT-leveranciers. Tot slot is de marktwerking beperkt, slechts 3 tot 5 procent van de huisartsen verandert jaarlijks van IT-leverancier.

De onderzoekers stellen twee opties voor om een en ander aan te pakken: Of investeren in ontwikkeling van eerstelijnssystemen om tot goede regionale oplossingen te komen, of juist door samen te werken met krachtige partijen met wortels in tweede of derdelijnszorg (zoals epd's). Nictiz roept de verschillende eerstelijnspartijen op om positie te nemen en snelheid te maken met het in discussie gaan met politici, verzekeraars en ketenpartners over een concrete aanpak van de digitalisering van de eerstelijnszorg.

Wat betreft IT, liepen huisartsen volgens de onderzoekers altijd voorop. ‘In 2017 zijn het de huisartsen die digitaal het grootste aantal en de meest complete dossiers bijhouden van patiënten in Nederland in de huisartsinformatiesystemen (his). Voor huisartsen is het IT-landschap door de jaren heen echter steeds complexer geworden. Inmiddels hebben huisartsen (inclusief andere eerstelijnsprofessionals) te maken met een breed scala aan losstaande IT-systemen en leveranciers. Ondanks de complexiteit is de huisarts tevreden en ontbreekt op dit moment het gevoel van urgentie om te willen en te kunnen veranderen. De focus ligt primair op de korte in plaats van de lange termijn', aldus de rapporteurs.

De onderzoekers stellen verder dat vernieuwing beperkt blijft tot de dokterspraktijk en dat een heldere visie ontbreekt. DIT, terwijl er buiten de praktijk een digitale transformatie plaatsvindt op zowel internationaal, nationaal als regionaal niveau. Vernieuwing is volgens de rapporteurs nodig om te kunnen voldoen aan de Europese Verordening Gegevensbescherming (AVG/GDRP), borging van betrouwbaarheid, volledigheid en integriteit van data conform ISO27001 en NEN7510 en aan wettelijke veranderingen rondom het beschikbaar stellen van zorggegevens aan de patiënt. ‘Juist de huisartsenpraktijk zou hier onderdeel van moeten zijn, want alleen al op regionaal niveau werkt de huisarts samen met verschillende actoren, waaronder patiënt, ziekenhuis, verpleeg-, verzorgingshuizen en thuiszorgorganisaties, apotheek, GGZ, fysiotherapeut en gemeente', besluiten ze.

Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

13:05 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

Naar een kadaster voor hoogleraren


Als ik lees dat een hoogleraar nevenfuncties bekleedt, gaat bij de journalist een belletje rinkelen. Uiteraard zijn de meeste hoogleraren van onbesproken reputatie. Maar de ene hoogleraar is de andere niet: nevenfuncties kunnen hun visie kleuren, maar die bijbaantjes zijn niet gekend.

Toen ik de Orde ooit confronteerde met het idee om een mandatenkadaster voor hoogleraren op te zetten, viel men daar van zijn stoel. Dat was even wakker schrikken. Ze schrokken zich een rolberoerte. Voor een journalist is dit nochtans dagelijkse kost. Er bestaat zoiets als het perspectief van de geïnterviewde. Wie en wat is hij of zij? Vooral bij de academie is het belangrijk om iemands complete horizont te scannen. Komt daarbij dat nogal wat (bijzonder) hoogleraren deeltijds werken. Vaak bekleden ze nevenfuncties daartoe aangemoedigd door de universiteiten en andere Imecs, die altijd dol zijn op spin-offs. Onderzoek wordt vaak (mede-)gefinancierd door het bedrijfsleven. Dat hoeft niet erg te zijn. Maar bij de journalist die vragen stelt gaat code oranje aan. Hij weet: het commentaar van de onafhankelijke deskundige wordt al snel bijgekleurd door behartiging van (verborgen) economische, syndicale of politieke belangen.

Neem nu een maatregel in de gezondheidszorg. Die wordt helemaal anders geapprecieerd door een academicus die banden heeft met een ziekenfonds, een politieke partij of een verzekeraar. De ervaring heeft me de voorbije decennia geleerd dat de erkenning van een aandoening of ziekte en de terugbetaling van een bepaalde therapie, iets wat officieel beslist wordt in de verschillende comités van het Riziv, sterk beïnvloed wordt door de zogenaamd onafhankelijke academische experten met een oranje of rode achtergrondkleur. Deze achtergrondkennis verklaart veel maar ze komt pas met de jaren. Het is zoals die professor sociale wetenschappen die één specifiek pensioenstelsel hardnekkig verdedigt. Van hem weten we welke mandaten hij in het verleden waargenomen heeft. Of die hoogleraar ecologie die bijklust bij Greenpeace of bij Natuurpunt. Jasper van Kuijk is een Nederlandse cabaretier, columnist en wetenschapper en noemt dit zijn 'Ja, hallo-moment': achtergehouden kennis die bij het ontdekken ervan leiden tot de verzuchting 'Dat had ik óók wel effe willen weten'. Onafhankelijke deskundigen zijn schaars, dat weten we. Overigens doen nevenfuncties niet noodzakelijk afbreuk aan deskundigheid. Soms verhogen ze die juist. De kunst is te bepalen waar belangen verstrengeld kunnen raken. Veel nevenfuncties van hoogleraren zijn te vinden op de profielpagina's van de faculteit. Probleem: die zijn niet alle even actueel.

Ik vraag me dus af wat het bezwaar zou kunnen zijn tegen een openbaar register of mandatenkadaster. Bij wetenschappelijke tijdschriften vragen ze die informatie ook. En wie een lezing wil geven moet ook aangeven of er van enige funding sprake is en of er een conflict of interest kan bestaan. Ik weet het, de oplossing is niet eenduidig. Vermelding van nevenfuncties suggereert een gekleurd perspectief. Dat kan de bedoeling niet zijn. Ik wijk bij de redactie van een wetenschappelijk artikel voor een onafhankelijk geluid het liefst uit naar deskundigen in het buitenland. De ervaring heeft me geleerd dat als ik Belgische wetenschappers confronteer met een vondst van een collega in het buitenland, ik meestal te horen krijg : "Ja maar, het is veel te vroeg om conclusies te trekken." Bij zo'n antwoord bedenk ik dan: nader (journalistiek) onderzoek is inderdaad gewenst.

Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

08:09 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)