12 augustus 2016

Ziekenhuis is zacht doelwit voor terreur

Met de terreuraanslag in een katholieke kerk in Saint-Etienne-du-Rouvray is de mogelijkheid van een aanslag in een ziekenhuis of een andere zorginstelling een stap dichterbij gekomen. De dreiging van een terroristische aanslag blijft een lage maar realistische waarschijnlijkheid, maar dat doet niets af aan de plicht van de ziekenhuisdirecties om de nodige veiligheidsmaatregelen te nemen. Duizenden kerken bewaken is een onbegonnen werk. Maar een paar honderd ziekenhuizen beschermen ligt wel binnen de mogelijkheden.

De ministers Jambon en De Block hebben vorig jaar, eind november, al een waarschuwing naar de ziekenhuizen gestuurd. De vrees bestond toen dat terroristen zouden infiltreren tussen de andere hulpverleners na een aanslag. Aanleiding daartoe was een verijdelde aanslag tijdens de voetbalwedstrijd Duitsland-Nederland met ambulances en de diefstal van beschermingskledij in Frankrijk. Ondertussen heeft de terreur een nieuwe fase bereikt. Het gaat niet langer en uitsluitend om al dan niet goed getrainde terroristen maar om freelancers die per WhatsApp de eed van trouw aan IS afleggen en vervolgens hun persoonlijke moordaanslag gaan uitvoeren. Op een paar Chinese toeristen in een lokale trein, in de woonkamer van een koppel politieagenten, een oude pastoor in een dorpskerkje. Het gaat niet langer om de symboliek van de daad maar om het effect van de angst, het opwekken van haat, het totale nihilisme. Met een bijl of een mes.

Ik wandel het ziekenhuis binnen via de hoofdingang. Voor de entree staan de klassieke nicotinejunkies gekoppeld aan hun baxter. De draaideur staat opengeklapt omwille van de zomerhitte. Het meisje van de krantenwinkel annex cadeaushop kletst met een klant. Mensen checken in aan de elektronische balie. Aan het plafond hangt een camera die de klassieke va-et-vient van een lokaal ziekenhuis registreert. Drukte maar niet te druk, niemand die iemand controleert. Een koppel uit het vluchtelingencentrum vraagt de weg bij het onthaal. Een jongen op krukken. Een hoogzwangere dame op weg naar het bevallingskwartier, haar zenuwachtige echtgenoot beladen als een muildier. Oma kijkt strak voor zich uit als ze buitengereden wordt. De doorsnee bevolking van dit stadje. 30% gekleurd, 70% blank. Je hoort Nederlands, Frans, Arabisch, een flard Spaans, enige woorden Turks.

Ik las dit weekend hoe een man in Japan gewapend met een mes, een zorginstelling voor bejaarden binnenliep en op zijn eentje 19 patiënten vermoordde. Ik sluit de ogen en beeld me in wat hier kan gebeuren. Dit is geen verbeelding.

In een studie van het International Institute for Counter-Terrorism dat dateert van 2013 lees ik dat er tussen 1993 en 2013 ongeveer 100 terroristische aanvallen gepleegd werden op ziekenhuizen. Daarbij kwamen 775 mensen om en werden 1.217 anderen ernstig gewond. In 1995 gijzelden 50 Tsjetsjeense rebellen 2000 patiënten in een Russisch hospitaal gedurende vier dagen. Honderd patiënten werden gedood, 415 gewond. Ondertussen werden in 43 landen, verspreid over alle continenten, aanslagen op ziekenhuizen gepleegd. Het ging daarbij niet alleen om bomaanslagen maar ook om aanvallen met handvuurwapens en blanke wapens. Het rapport labelt ziekenhuizen als aantrekkelijke secundaire "zachte" doelwitten voor terroristen. Een hospitaal is bijzonder aantrekkelijk omdat een moordaanslag het in zijn essentie als zorginstelling raakt. Een dergelijke aanslag verlamt het vermogen van het ziekenhuis om de gewonden te verzorgen, het vergroot het mogelijke aantal doden en leidt tot een enorme chaos. In 2013 was een mogelijke aanslag nog een zeldzame bedreiging, nu kan dit gevaar niet langer genegeerd worden. De vraag is dus wat ziekenhuizen kunnen doen om te voorkomen dat ze een doelwit voor een aanval worden?

Het rapport stelt een gelaagde aanpak voor.

Alles begint met het verzamelen van inlichtingen en de analyse ervan. Het is belangrijk dat de veiligheidsdienst van het ziekenhuis overleg pleegt met de lokale overheid en politie. Men moet zich bewust zijn van de nieuwste bedreigingen. Eens die informatie verzameld moet nagedacht worden over de implicaties die dat voor de instelling kan hebben, hoe het personeel op de hoogte gebracht moet worden, hoe het waarschuwingssysteem geïmplementeerd moet worden, welke veiligheidsmaatregelen verbeterd kunnen worden, en uiteraard moeten de politie en andere hulpdiensten hierover gebriefd worden.

Maar dat alles heeft weinig zin indien er geen solide fysieke beveiliging opgezet wordt. Grote ziekenhuizen hebben een eigen interne beveiliging, kleine perifere ziekenhuizen zijn vaak nog niet eens aan de opzet daarvan toe. Het spreekt vanzelf dat een goede toegangscontrole, en andere goed geplande, op risico gebaseerde fysieke maatregelen in het perimeternetwerk en in de gebouwen van de zorginstelling kunnen helpen om de toegang tot mensen en ruimten binnen het ziekenhuis te verhinderen. Een metaalscanner aan de entree van een popfestival is doodgewoon nu, maar aan de toegangsdeuren van een ziekenhuis is het een zeldzaamheid maar geen overbodige luxe. Het enige deugdelijk bewaakte ziekenhuis is het Militair Hospitaal Koningin Astrid in Brussel. CCTV-dekking is vanzelfsprekend , maar die heeft al lang geen afschrikkende werking meer, vaak ook worden de beelden niet gemonitord. Tenslotte moet ook gedacht worden aan de mogelijkheid om de toegang tot afdelingen snel te vergrendelen.

Opgeleide en alerte werknemers zijn de eerste verdedigingslinie. Er zullen altijd maar een beperkt aantal specifiek opgeleide veiligheidsmensen zijn. Het personeel moet geleerd worden hoe het verdachte activiteiten kan herkennen en moet melden, waardoor de ziekenhuisdirectie gelijk over honderden, zo niet duizenden extra ogen en oren ter bescherming van het ziekenhuis beschikt. Deze opleiding kan voor een deel makkelijk binnenshuis gegeven worden.

Daarnaast moet er uiteraard speciaal opgeleid beveiligingspersoneel aanwezig zijn. Dit kan zowel intern als extern aangeworven worden.

Ondertussen lopen de berichten binnen dat in het Universitair ziekenhuis Benjamin Franklin in het zuidoostelijke Berlijnse stadsdeel Steglitz, een patiënt een arts neerschoot en daarna zichzelf ombracht. Het ging hier niet om een terroristische aanslag. Maar het toont aan hoe dringend de toestand is. "Ik hou mijn hart vast als er één of andere zot op het idee komt om dergelijke aanval op grote schaal in een ziekenhuis in Vlaanderen uit te voeren," schrijft oncoloog Luc Colemont in zijn blog. "Ik kan je verzekeren, daar zijn onze ziekenhuizen NIET op voorbereid… Akkoord, je kan niet alles beveiligen, maar ziekenhuizen mogen/moeten toch een minimum aan veiligheid garanderen. Dit is op dit ogenblik jammer genoeg niet het geval. Het al of niet hebben van een JCI-accreditatie of een ander "keurmerk" zal daar niet veel aan veranderen. Ik spreek uit ervaring. Ik heb de afgelopen jaren de agressie op de spoed en in het ziekenhuis zien toenemen… De getroffen veiligheidsmaatregelen staan jammer genoeg niet in verhouding met het dreigende èn reeds aanwezige gevaar. Laat mij hier ook duidelijk zijn: er is nog veel werk aan de winkel." De vraag is wie hiervoor een uitvoeringsplan opstelt.

Marc van Impe


Bron: MediQuality

15:32 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

11 augustus 2016

Wie wilt u als partner ? Een verpleegster of een specialist

Stilaan worden we een dag ouder. Ik merk dat we steeds vaker de neiging hebben om de balans op te maken. De vraag is niet langer of we goed bezig zijn, maar of we wel de juiste keuzes gemaakt hebben. En waarom? Het wordt zomer en we zitten bij de bocht van de rivier naar de blote benen te kijken. Ook in de Ardennen is het rokjesweer, zoals mijn vriend Martin Bril het zou gezegd hebben.

Het belangrijkste element op onze privé balans is onze relatie. Na zovele jaren moeten we toch stilaan in staat zijn tot de conclusie te komen of onze partner, voor sommigen van ons onze date over de gewenste eigenschappen beschikt. Voor mij zijn de belangrijkste eigenschappen intelligentie en humor. Maar zoekt iedereen dat écht? En is de humor van de man zoekt van dezelfde soort als die een vrouw belangrijk vindt, of zoekt hij toch vooral een vrouw die hém grappig vindt? En wat bedoelen we met intelligentie? Roos Vonk is hoogleraar sociale psychologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen en onderzocht die kwestie samen met Quest Psychologie. En wat blijkt: mannen die zeggen dat ze intelligentie belangrijk vinden… vallen daadwerkelijk op vrouwen met een intelligent beroep.

Vonk ondervroeg online ruim 3000 heteroseksuele Nederlandse vrouwen en 1300 mannen met hetzelfde profiel, waarbij ze aan de hand van foto's en profielteksten op een schaal van 1 tot 7 aan moesten geven hoe graag ze uit wilden gaan met de potentiële date. Elke deelnemer kreeg 3 mogelijke dates te zien van de andere sekse, in een van twee varianten. En dat is het leuke aan het onderzoek. Zo was ‘Marloes' de ene keer verpleegster en de andere keer medisch specialist, en was een andere kandidate stewardess of hoogleraar. Naderhand gaven deelnemers aan welke eigenschappen ze in het algemeen belangrijk vinden in een potentiële date.

Humor werd door beide seksen vaak aangevinkt als een belangrijke eigenschap. Bij vrouwen was het nummer 1 en bij mannen scoorde het ook hoog. Maar mannen bedoelen met humor iets anders dan een grappige vrouw, zo bleek uit de vergelijking tussen twee versies van dezelfde vrouw. In de ene versie kwam uit haar profieltekst naar voren dat ze zelf veel humor had en in haar vrije tijd aan stand-up comedy deed. Deze vrouw werd significant minder leuk gevonden dan haar tegenhanger die op zoek was naar een humoristische man. Mannen blijken een vrouw die zélf grappen maakt minder aantrekkelijk te vinden.

Uit eerder onderzoek was al gebleken dat mannen intelligentie zeggen belangrijk te vinden, maar toch terugschrikken voor een hoogopgeleide slimme vrouw als date. In dit onderzoek bleek dat dit alleen gold voor mannen die uiterlijk noemden als belangrijke eigenschap in een partner (en deze mannen vonden vaak intelligentie minder belangrijk). Bij deze mannen viel de stewardess iets meer in de smaak dan de hoogleraar, en de verpleegster meer dan de specialiste. Mannen die intelligentie wél noemden (en uiterlijk juist weer niet) maakten nauwelijks onderscheid tussen de verpleegster en de specialiste, maar zij hadden een duidelijke voorkeur voor de hoogleraar boven de stewardess.

Vrouwen hoeven zich online dus niet ‘dommer' voor te doen om een date te vinden op een datingsite, althans niet zolang ze een man zoeken die intelligentie belangrijk vindt. Maar, zo zegt Roos Vonk, die dus zelf hoogleraar is: ‘Dit onderzoek laat natuurlijk niet zien hoe zo'n date uiteindelijk verloopt. Je moet er denk ik nog steeds rekening mee houden dat een man niet voor je onder wil doen en tijdens je date imponeerdrang kan gaan vertonen.

Ook bij de vrouwelijke deelnemers kwamen hun voorkeuren overeen met wat ze zelf aangaven. Vrouwen die intelligentie belangrijk vonden, kozen eerder voor de zakenman dan voor de monteur en hadden liever een specialist dan een schilder. ‘Bedenk dat die mannen hetzelfde gezicht hadden en dezelfde tekst onder de foto hadden staan', zegt Vonk, ‘dus hun teksten waren even intelligent. Misschien bedoelen vrouwen met intelligentie eigenlijk iets anders: status en carrière – dus die succesvolle man. Het is nu eenmaal sociaal minder wenselijk om te zeggen dat je een succesvolle man wilt.' De vrouwen die intelligentie belangrijk vonden, zagen de monteur namelijk beduidend minder zitten als date dan de zakenman. Ook zagen ze minder in de schilder dan in de specialist. Bij vrouwen die intelligentie niet belangrijk vinden was dit laatste juist omgekeerd.

Onder onze vrienden bevinden zich zowel een huisarts als een huisschilder, een stel hoogleraars en een kleuterjuf, een was ooit stewardess, een ander gaat door het leven als vertegenwoordiger van dure merkkledij, en nog een ander zegt van zichzelf dat ze ‘gewoon verpleegster' is maar zonder haar zou de drukke specialistenpraktijk van haar man een puinhoop zijn. Sommigen van ons hebben meer dan eens de gelofte van eeuwige trouw en bijstand afgelegd, andere hadden er na een keer genoeg van. Ik ben een fervent voorstander van het huwelijk.

Allemaal zijn we het erover eens dat intelligentie, en ja ook humor, de belangrijkste criteria zijn. En natuurlijk moet ze lekker kunnen koken, zegt de apotheker die zelf nog geen ei kan bakken. En ze moet van een glas houden, zegt de homeopaat. Ze moet modieus zijn, koket, lief, goed voor de kinderen. Ze moet handig zijn, het stuur overnemen als hij ‘vermoeid' is. Ze mag niet snurken. Allemaal eigenschappen die voor de hand liggen.

Eigenaardig dat alleen die laatste eigenschap het dichtst bij de slaapkamer komt. Intelligente mannen, want dat zijn we toch, kunnen best hevig hypocriet zijn. Ik denk aan de geleerde vrouw en wat zij zou zeggen. Morgen toch maar eens het laatste boek van Roos Vonk halen over Liefde, lust en ellende.

Marc van Impe

Bron : MediQuality

16:01 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

10 augustus 2016

Duizend bommen en granaten

Ons taalgebruik wordt steeds zachter, ook in de medische wereld. ‘Mongooltjes’ heten nu ‘mensen met het syndroom van Down’. Een ‘blinde’ is een ‘visueel gehandicapte’ geworden. Psychiaters zijn heel wat fijnzinniger geworden en gebruiken termen als ‘idioot’, ‘imbeciel’, ‘zwakzinnige’ of ‘debiel’ niet langer. Ik kan de verzachting van onze omgangstaal alleen maar toejuichen. Maar in feite kan je met elk woord net zo goed schelden.

In de jaren vijftig kwam de term ‘geestelijk gehandicapten' in de plaats van idioot. Maar een decennium later spraken de hulpverleners alweer van ‘verstandelijk gehandicapten'. Wat al snel veranderde in ‘verstandelijk beperkten'. Het kan nog vriendelijker: ‘mensen met een verstandelijke beperking'. Op die manier zet je de mens voorop en plaats je de beperking op de achtergrond.

Soms gaat het bij wet, zoals in de VS. Eind negentiende eeuw was retarded (‘achterlijk') een nieuwe term in het Engels voor mensen met een verstandelijke beperking. Maar in 2010 heeft de Amerikaanse overheid het woord uit alle wetten geschrapt. Dat is te danken aan de familie van Rosa Marcellino, een meisje met het syndroom van Down, die het niet namen dat ze op school ‘mentally retarded' genoemd werd. Ze begonnen een petitie om het woord uit de wetgeving van de staat Maryland te laten schrappen. De actie werd zo'n succes, dat de landelijke politiek zich ermee ging bemoeien. En dat leidde tot een wet, Rosa's Law, die de term mental retardation in Amerikaanse wetten door intellectual disability (‘verstandelijke handicap') vervangt.

Maar sommige mensen in onze welzijnssector gaan alweer een stap verder. Zij zeggen het liefst: ‘mensen met een verstandelijke uitdaging'. ‘Uitdaging' lijkt het ultieme eufemisme. Het lijkt wel of iemand met een beperking een leuke taak te doen heeft. Waarom verzinnen we dan toch steeds nieuwe woorden om netjes uit te drukken wat we bedoelen?

Ook in het gewone taalgebruik gaat het om eufemismen. ‘ Negers' heten nu ‘zwarten', en een ‘hoer' werd een ‘prostituee' en is nu een ‘sekswerker'. Een ‘meid' werd eerst een ‘werkster' en daarna ‘hulp in de huishouding' of ‘indoor hygièneconsultant'. En als een bedrijf zijn personeel decimeert spreekt de directie niet over een ‘ontslaggolf' onder het ‘personeel' maar heeft ze het liever over een ‘reorganisatie' en over ‘medewerkers', die evenveel in de pap te brokkelen hebben. En de ‘werkloze' veranderde in een ‘uitkeringsgerechtigde'. Als er een epidemie onder het vee uitbreekt worden de dieren ‘geruimd' in plaats van ‘afgemaakt'.

Toch blijft iedereen een ander gevoel bij een woord hebben. ‘Allochtoon' is zo'n woord. Het stond in 1961 voor het eerst in een Nederlands woordenboek. Het was tot dan een bijvoeglijk naamwoord in de geologie, voor steensoorten die vanaf een andere plek waren aangevoerd. In 1967 gebruikte de Nederlandse minister Marga Klompé ‘allochtoon' om Nederlanders van buitenlandse afkomst mee aan te duiden.

Sinds de jaren tachtig is ‘allochtoon' ook bij ons een veelgebruikte term. Tot dan had men het over de ‘gastarbeider'. Na enkele decennia van veel negatief nieuws over allochtonen, is het nu een van de meest gehate woorden. Verschillende gemeenten in Vlaanderen hebben inmiddels al afgesproken om het woord te mijden. ‘Allochtonen' heten nu ‘Turkse Gentenaars', ‘Marokkaanse Gentenaars', enzovoort. De krant De Morgen heeft het woord radicaal geschrapt. En bij de oprichting in 2015 maakte de Nederlandse politieke partij Denk bekend dat ze niet alleen het woord ‘allochtoon' maar ook ‘integratie' wil afschaffen. In Vlaanderen gebruikt men daarvoor het gruwelijke woord ‘inburgering', dat voor mij de klank van een dwangbuis heeft.

Ik kan de verzachting van onze omgangstaal alleen maar toejuichen. Maar in feite kan je met elk woord net zo goed schelden. Zo hoorde ik een ‘bewakingsagent' op de Heyzel uitgescholden worden voor ‘cipier'. Het hangt ervan af hoe je een woord gebruikt. Lees er Hergé's Kapitein Haddock maar op na.

Marc van Impe

Bron: MediQuality

15:40 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)