23 augustus 2016

Wetenschappers maken radicaal nieuwe pijnstiller zonder bijwerkingen

Een krachtige pijnstiller, even sterk of beter nog dan morfine, maar zonder vervelende bijwerkingen, het zou dé uitkomst zijn. In Nature verschijnt nu een artikel van de hand van team van Amerikaanse en Duitse wetenschappers van de University of California-San Francisco, de University of North Carolina, en de Friedrich-Alexander Universität Erlangen-Nürnberg, waarin de resultaten van testen op muizen met een nieuwe molecule, PZM21 gedoopt, beschreven worden. En die zijn uiterst positief.

PZM21 richt zich op het brein-gemedieerde emotionele component van de pijn. Hierdoor stilt het de pijn net zo goed als morfine, zonder de bijwerkingen van respiratoire depressie en zonder dopamine-gedreven verslaving in de hersenen.

De onderzoekers lieten in computersimulaties meer dan 3 miljoen verschillende chemische structuren koppelen aan de μOR morfinereceptor in het brein. Ze letten bij de simulaties ook goed op of de nieuwe middelen in potentie delen van de hersenen beïnvloeden die kunnen zorgen voor bijwerkingen als constipatie of ademhalingsproblemen; iets waar veel andere pijnstillers berucht om zijn.

PZM21 blijkt effectiever dan morfine te zijn, zonder de bijwerkingen en dat aan gelijke dosering. "We zijn voorzichtig optimistisch," zegt Aashish Manglik, docent in de moleculaire en cellulaire fysiologie van Stanford University's School of Medicine en één van de belangrijkste auteurs van de studie.

Het onderzoek was niet zo diervriendelijk maar efficiënt: muizen werden op een hete plaat gezet, waarna onderzoekers turfden of ze hun pootjes optrokken, eraan begonnen te likken of van de plaat af probeerden te springen. PZM21 bleek de pijn net zo goed te stillen als morfine. Bovendien leken de muizen niet verslaafd te raken het spul; zo bleven ze niet langer hangen in ruimtes waar het middel werd toegediend, iets wat bij verslavende middelen doorgaans wel gebeurt. Of het nieuwe middel toch voor onverwachte bijwerkingen zorgt bij mensen, is nu nog een vraag.

De negatieve bijwerkingen van pijnstillers staan vooral in de Verenigde Staten hoog op de politieke agenda. Het Amerikaanse congres trok deze zomer 1,1 miljard dollar extra uit voor nieuw onderzoek om de verslavingsgevoeligheid van pijnstillers te dempen. Volgens de laatste cijfers van het Centers for Disease Control and Prevention stierven in 2014 meer dan 14.000 mensen vanwege een overdosis pijnstillers. Een van de bekendste slachtoffers was begin dit jaar de Amerikaanse zanger Prince die stierf aan de gevolgen van een "onopzettelijke" overdosis van de opioïde fentanyl.

Link naar de studie : http://www.nature.com/nature/journal/vaop/ncurrent/full/n...

Marc van Impe

Bron: MediQuality

 

 

 

09:19 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

22 augustus 2016

Foute medicatie voor vier op tien bejaarden

Uit Nederlands onderzoek van dr. Donna Bosch-Lenders e.a, blijkt dat patiënten van 80 jaar of ouder, en dan vooral mannen, die 5 of meer voorgeschreven medicijnen gebruiken, weinig kennis hebben over de reden van voorschrijven. Patiënten die thuis wonen met een partner weten meer dan anderen. De onderzoekers vonden geen verband met opleidingsniveau. De onderzoekers ondervroegen de patiënten over hun medicatie tijdens huisbezoeken en met schriftelijke vragenlijsten.

Artsen worden steeds vaker geconfronteerd met complexe medische besluitvorming bij oudere patiënten met multimorbiditeit en polyfarmacie. Vanwege de veranderde farmacokinetiek en -dynamiek verhoogt het gebruik van meerdere medicijnen het risico op bijwerkingen, vooral bij ouderen. Ook draagt het gebruik van veel medicamenten per dag bij aan therapieontrouw, wat onder andere samenhangt met de kennis die patiënten hebben over de indicaties van de aan hen voorgeschreven medicatie.

Aan het onderzoek namen 24 huisartsenpraktijken (43 huisartsen, 21 praktijkondersteuners), 17 openbare apotheken en de medische specialisten van 2 regionale ziekenhuizen deel. 754 patiënten met een gemiddelde leeftijd van 73,2 jaar gebruikten gemiddeld 9 voorgeschreven medicijnen. 47,2% van hen was vrouw. In totaal werden 6960 medicijnen voorgeschreven, gemiddeld 9,2 per patiënt. Slechts 15% van hen kon de juiste indicatie van al hun voorgeschreven medicijnen benoemen. Deelnemers hadden accurate kennis over 64,6% van de voorgeschreven medicatie, maar wisten de indicatie niet van 31,6% van de medicijnen en voor 3,9% van de voorschriften noemden ze een foute indicatie. De beste kennis hadden mensen over antidiabetica (81,9% correct benoemd) maar dit was niet verrassend omdat niet alleen orale antidiabetica maar ook insuline-injecties hiertoe hoorden.

Bejaarden die in een verzorgingstehuis woonden wisten minder (op ≥ 75%-niveau) dan zelfstandig alleenwonende bejaarden. Er was geen significante relatie tussen opleidingsniveau en kennis over de voorgeschreven medicatie.

Het resultaat van deze studie is veel minder dan in een Canadese studie, waarin 65% van de patiënten 100% accurate medicatiekennis had. Patiënten kunnen baat hebben bij een duidelijke uitleg door een arts, verpleegkundige of apotheker, met duidelijke visuele of schriftelijke inname-instructies. Als patiënten een slecht begrip hebben van de indicaties van medicijnen, zijn zij waarschijnlijk ook minder goed in staat om symptomen die mogelijk samenhangen met hun medicatiegebruik te interpreteren en te omschrijven. In dergelijke situaties is het belangrijk veranderingen van medicatie niet alleen met de patiënt te bespreken, maar ook met een familielid of een verzorgende.

bron: https://www.ntvg.nl/artikelen/wat-weten-ouderen-met-polyf...

Marc van Impe

Bron : MediQuality

 

 

18:18 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

19 augustus 2016

Orde der Artsen: beroepsgeheim blijft beter zoals het is

Is het beroepsgeheim voor artsen nog van deze tijd? De Duitse minister van Binnenlandse Zaken Thomas de Maizière (CDU) wil daar in overleg met artsenvertegenwoordigers aan tornen. Is dat bij ons ook het geval ? Ontdek hierna hoe de Orde der Artsen hierover denkt.

De Nederlandse artsenfederatie KNMG wil dat de arts alleen „bij wijze van hoge uitzondering" het beroepsgeheim kan doorbreken. Nederlandse artsen moeten niet melden dat iemand gewelddadige ideeën heeft of zegt dat hij zich wil aansluiten bij een terroristische organisatie. Dat mag alleen bij een concrete dreiging, bijvoorbeeld "als de betrokkene dreigt kinderen of anderen tegen hun zin daar naartoe te ontvoeren". Een wettelijke meldplicht voor artsen om justitie te informeren over geplande strafbare feiten – waarover momenteel in Duitsland wordt gedebatteerd – ziet de KNMG niet zitten.

Meldingsrecht

In ons land heeft een arts nooit een meldingsplicht, maar wel een meldingsrecht. Dat staat als dusdanig in het Strafwetboek, artikel 458 bis dat stelt dat geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd door het beroepsgeheim zijn gebonden, behalve indien zij geroepen worden om in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken.

Maar minister van Justitie Koen Geens (CD&V) drong tijdens het debat in de Kamer over de terreuraanslagen van 22 maart al aan op een betere doorstroming van informatie vanuit het gerecht en de politie. In overleg met de gemeenschappen, Binnenlandse Zaken en de OCMW's wil hij het "gedeeld beroepsgeheim" zo goed mogelijk regelen, meldde hij in de Kamercommissie.

Visie van de Orde

Sommige artsen die hij in deze ‘wijziging van cultuur' wil betrekken, juichten dit  –net na de moord op huisarts Patrik Roelandt- toe. Dr Michel Deneyer, woordvoerder van de Orde der Artsen, stelt dat het beroepsgeheim niet absoluut is. De arts moet "als een goede huisvader" een afweging maken tussen de vertrouwensrelatie met de patiënt en een ernstig en dreigend gevaar voor de maatschappij. Bij mishandeling van kinderen is er bijvoorbeeld sprake van een "noodtoestand", zodat de arts zich aan schuldig verzuim zou kunnen bezondigen, als hij de informatie voor zich houdt.

Op vlak van informatie-uitwisseling geldt voor hulpverleners eigenlijk maar één vuistregel, zegt advocaat en fractieleider CD&V Kamer van Volksvertegenwoordigers Raf Terwingen: "Als ze stoten op een misdrijf, zijn ze verplicht dit aan politie of justitie te melden. In andere gevallen zijn ze vaak gebonden door hun beroepsgeheim. Dat geldt zeker voor feiten waarbij er enkel indicaties zijn", zegt Terwingen die in juni een wetsvoorstel indiende ter versoepeling van het beroepsgeheim.

"Neem nu een vrouw die door haar man psychisch en fysiek wordt mishandeld. Omdat ze geen klacht durft indienen, stapt ze naar een hulpverlener van het Centrum voor Algemeen Welzijn (CAW). Maar omdat er geen klacht, is die hulpverlener gebonden door het beroepsgeheim en kan hij dit niet melden aan de politie.

Als de meerderheid mijn wetsvoorstel heeft goedgekeurd, zal dat wel mogelijk zijn." In zijn wetsvoorstel voorziet Terwingen in een 'casusoverleg' waar iedere actor vrij kan spreken zonder het beroepsgeheim te schenden en zonder deze informatie openbaar te mogen maken. "Het casusoverleg maakt het ook mogelijk voor mensen die niet aan een beroepsgeheim gebonden zijn - ik denk aan burgemeesters - om deel te nemen aan lokale overlegmomenten.

Samenwerking en informatie-uitwisseling zal zo op een correcte en transparante manier verlopen, ook in radicaliseringsdossiers. Het zal een grote meerwaarde betekenen om alle puzzelstukjes van aanwijzingen in elkaar te laten vloeien, want ook in (mogelijke) dossiers van terrorisme of radicalisering vormt het beroepsgeheim vaak een struikelblok", aldus Terwingen.

Minister van Justitie Koen Geens juichte dit wetsvoorstel toe "omdat er op die manier eindelijk duidelijkheid komt wat de preventieve en de repressieve diensten met elkaar kunnen delen". "Dat bijvoorbeeld alle partners in een Lokale Integrale Veiligheidscel informatie kunnen uitwisselen is essentieel in de strijd tegen radicalisering en terrorisme", aldus de minister.

De Orde van Artsen zegt geen kennis te hebben van artsen die te maken krijgen met potentieel gevaarlijke patiënten – die bijvoorbeeld dreigen met terrorisme.

De Provinciale Raad van Oost-Vlaanderen wordt regelmatig bevraagd in verband met de grenzen van het beroepsgeheim, schrijft dr Michel Bafort. "De specifieke vraag in verband met het beroepsgeheim en een dreiging van een terroristische aanslag werd bij mijn weten nog niet gesteld. Voor wat betreft het beroepsgeheim en zijn grenzen verwijs ik naar de Code van Geneeskundige Plichtenleer, meer in het bijzonder naar Artikel 55 tot 70. Een uitmuntende tekst van de Voorzitter van de Nationale Raad, Benoît Dejemeppe, betreft document 4144011, Tijdschrift 144 van 30/9/2013: ‘Medisch geheim en justitie'. De arts kan dit nalezen op de website van de NR.

In dit artikel verwijs ik naar volgende belangrijke passage waarop een arts, in kennis van een imminente terroristische aanslag, zich kan (en moet) beroepen: 'De noodtoestand is de situatie waarin een persoon zich bevindt die, geconfronteerd met tegen elkaar indruisende plichten en gelet op het bestaan van een ernstig en dreigend gevaar voor anderen, redenen had om te oordelen dat hem, ter vrijwaring van een hoger belang dat hij verplicht of gerechtigd was voor alle andere te beschermen, geen andere weg openstond dan het beroepsgeheim te schenden (Hof van Cassatie, 13 mei 1987)'. Uit voorgaande kan men besluiten dat een arts nu al ruime mogelijkheden heeft om in eer en geweten te handelen wanneer hij in de uitoefening van zijn beroep zou geconfronteerd worden met kennis van een ernstig risico op een terroristische aanslag. Na opnieuw lezen van het bovenvermeld artikel van de heer Dejemeppe, lijkt het mij bijgevolg NIET zinvol om het beroepsgeheim uit te hollen of om dit te onderwerpen aan een soepelere lezing."

En in Nederland ?

Bij de Nederlandse Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst wordt men wel "meerdere keren per maand" gebeld daarover. Dat is veel vaker dan voorheen; toen dat nog maar één of twee keer per jaar gebeurde. De artsenfederatie merkt dat medici zich afvragen wanneer ze hun beroepsgeheim mogen doorbreken.

Vooral psychiaters zijn bekend met patiënten die bedreigingen uiten. "Moord, zelfmoord en ook terreur zijn bij sommigen van hen dagelijks onderwerp van gesprek," zegt Damiaan Denys, voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. "In een tijd van veel terroristische aanslagen komen psychiaters naar verhouding vaker een patiënt tegen die denkt hiertegen te moeten optreden, of patiënten die ervan overtuigd zijn zelf slachtoffer te worden van terreur.

Dat terrorisme een thema is in de spreekkamer van de psychiater, is dus ergens logisch. Zonder beroepsgeheim stellen patiënten een bezoek aan de arts misschien uit en vertellen ze de arts waarschijnlijk niet meer alles wat hen dwarszit. Dat is onwenselijk en gevaarlijk, voor de patiënt en voor de samenleving als geheel. Een meldplicht schiet zijn doel voorbij. De arts wordt zo een soort verlengstuk van justitie."

Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

07:46 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)