26 maart 2018

Nieuw tijdens de consultatie: cybersickness


Meegemaakt op een cyberbeurs. Een meisje gaat op een virtuele roetsjbaan, de virtual reality bril stevig op het hoofd. De rit begint. Het meisje wordt onpasselijk en moet braken. Hilariteit! Het kind was beter buiten gaan spelen, schrijven de auteurs van een interessant artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.

Het meisje was het slachtoffer van bewegingsziekte of kinetose, een normale reactie op een niet-normale omstandigheid waarin bewegingen centraal staan, zoals rijden, varen, vliegen en virtual reality. Bijna iedereen kan bewegingsziekte krijgen, vooropgesteld dat ten minste één evenwichtsorgaan functioneert. Alleen als geen van beide evenwichtsorganen functioneert, blijft iemand gevrijwaard van wagenziekte, zeeziekte of luchtziekte en zelfs cybersickness. Kinetose wordt uitgelokt door de bewegende kunstmatige beelden, zoals in videogames, zelfs wanneer de kijker zelf stil zit. Omdat we steeds vaker en langer aan steeds realistischere kunstmatige beelden worden blootgesteld, zullen artsen ook steeds vaker met bewegingsziekte te maken krijgen. Prof.dr. J.E. Bos, medisch fysicus en bewegingswetenschapper aan de VU, Amsterdam, en medeauteurs dr. R.B. van Leeuwen dr. T.D. Bruintjes van het Apeldoorns Duizeligheidscentrum, onderzochten wat de mogelijke therapie is bij cybersickness.

Bij bewegingsziekte in alledaagse situaties, zoals autorijden, kunnen antihistaminica – ingenomen vóór vertrek – misselijkheid tegengaan. De effectiviteit van medicatie bij bewegingsziekte is echter beperkt. Het opvallendste symptoom van bewegingsziekte of kinetose is braken, meestal voorafgegaan door misselijkheid. Die misselijkheid kan – maar hoeft niet – voorafgegaan worden door bleek zien, zweten, boeren, winden laten, speekselvloed, apathie, duizeligheid, wazig zien of hoofdpijn. Met name die laatste symptomen verschillen sterk van persoon tot persoon.

Bij een aanhoudende misselijkmakende stimulus neemt de kans op en intensiteit van deze symptomen eerst in tientallen minuten tot enkele uren toe (cumulatie), waarna deze over een periode van uren tot dagen afneemt (adaptatie of habituatie). Stopt de stimulus, dan verdwijnen de symptomen meestal, zeker na een nacht rust.

Van alle autopassagiers heeft twee derde ooit wel eens last gehad van wagenziekte, van wie de helft ook wel eens heeft moeten overgeven. Op een gemiddelde zeereis heeft ongeveer een derde van de passagiers in enige mate last van zeeziekte, van wie 1 op de 5 moet overgeven. In vliegtuigen is ongeveer de helft van de passagiers wel eens misselijk door de bewegingen, van wie 1 op de 100 moet overgeven. Daarnaast heeft de meerderheid van astronauten last van ruimteziekte, moet ongeveer 1 op de 5000 bioscoopbezoekers bij een 2D-film overgeven en 1 op de 500 bij een 3D-film. Vooral leeftijd speelt een rol. Baby's zijn niet gevoelig voor bewegingsziekte, adolescenten het meest, en de gevoeligheid neemt met het ouder worden weer af. Zo is een 20-jarige gemiddeld 5 maal zo gevoelig voor zeeziekte als een 80-jarige. Vrouwen kunnen tot wel 3 keer zo gevoelig zijn als mannen, hoewel dat eerder een cultureel – gender-bepaald – dan een biologisch – sekse-bepaald – verschil zou kunnen zijn.

De meeste studies laten namelijk wel een verschil zien in zelfgerapporteerde scores, maar niet in braken. Dat vrouwen het minst gevoelig zouden zijn rond de ovulatie is omstreden. Patiënten die bekend zijn met migraine zijn wel gevoeliger. Aan het eind van de 19e eeuw was al bekend dat volledig doven (labyrintlozen) totaal ongevoelig zijn voor zeeziekte. Blinden daarentegen zijn wél gevoelig voor bewegingsziekte. Een autobestuurder die zelf bepaalt wat er op welk moment precies gaat gebeuren – remmen, optrekken, en bochten maken – en daar dus optimaal op kan anticiperen, zal zelden last hebben van wagenziekte, terwijl de passagier die niet kan anticiperen degene is die lijdt. Ook is het dan logisch dat achterstevoren zitten de kans op wagenziekte verergert. Als je stil zit en naar bewegende beelden kijkt die suggereren dat je zelf beweegt, is er sprake van eenzelfde mogelijk misselijkmakend conflict. Omdat dat nogal eens voorkomt bij het spelen van videospellen, al dan niet via internet, wordt deze vorm van bewegingsziekte ook wel ‘cybersickness' genoemd. Het is bekend dat bij herhaalde blootstelling aan een virtuele wereld de misselijkheid tijdens de blootstelling afneemt (habituatie), maar dat dat ten koste gaat van een toenemende houdingsinstabiliteit na afloop.

Hetzelfde effect zal zich voordoen bij de zelfrijdende auto. Wordt dit gemeengoed, dan zal het percentage passagierskilometers aanzienlijk toenemen en daarmee ook de incidentie van wagenziekte, zeker als de zelfrijdende auto ook nog eens een rijdend infotainmentparadijs wordt, zeggen de auteurs.

Los daarvan spelen beeldgrootte, scherm- en beeldkwaliteit en blootstellingsduur – denk aan de jongere gamer – een steeds grotere rol in onze maatschappij. Met de steeds vaker gebruikte ‘virtual reality'-brillen worden we ook nog eens visueel afgesloten van de echte wereld die we met onze evenwichtsorganen voelen. Het is dan ook te verwachten dat bewegingsziekte steeds vaker voor zal komen en dat ook de arts daar steeds vaker mee geconfronteerd zal worden.

Voor alledaagse, niet-extreme situaties, zoals bij autorijden, beperkt het therapeutisch arsenaal zich tot antihistaminica (histamine H1-receptorantagonisten). Bij cybersickness kan men alleen maar het de blootstellingsduur aan kunstmatige beelden die bewegingsziekte oproepen minimaliseren en juist weer meer te leren leven in de reële wereld. Het beste advies voor een kind dat misselijk wordt bij het gamen is dan ook buitenspelen.

Marc van Impe

https://www.ntvg.nl/artikelen/bewegingsziekten-beweging/i...

 

Bron: MediQuality

09:17 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

Post een commentaar