19 april 2017

Zijn bijdrage


Hij wil hier niet zelf over schrijven. Hij wil dat ik dit doe. Het is halftien ’s avonds en we hebben elkaar toevallig ontmoet achter een glas in één van de praatcafés in de Dansaertwijk. Hij had me herkend, zegt hij. Ik hem niet. Ik ken weinig lezers van gezicht. Hij heeft die avond iemand naar de overkant geholpen, zoals hij dat zelf zegt. Als huisarts wist hij dat dit er aan zou komen.


Ze had geen levensbeschikking gemaakt. Ze was niet zo van de papieren. De familie, een dochter die het druk-druk heeft met haar baan en wedersamengesteld gezin had het er met hem nooit over gehad. De zoon zou nu op een vlucht zitten, onderweg naar huis. Zij was wat men een in Brussel een deftige dame noemt. Kunstlerares geweest. Enthousiaste bezoekster van tentoonstellingen en theater. Niet vies van het leven. Monter, niet rijk maar ook niet hulpbehoevend. Zoals er een paar miljoen in dit land zijn, kleinburgerlijk maar met een groot hart en zonder veel illusies. Het was de werkster die hem gebeld had. In gebroken Frans had ze verteld dat mevrouw geen asem meer had. Mevrouw stikte. Onderweg bedacht hij wat hij kon doen. Er was geen uitweg meer. Er zou een volgende dag komen. En nog een dag. En nog een dag van ademnood tot op een dag de werkster of de buurvrouw toevallig niet meer zou langskomen en ze alleen zou zijn. Dan zou ze niet sterven maar creperen. Om een paar dagen later gevonden te worden door een brievenbus in de hall die zou uitpuilen van de folders van de Lidl en de Aldi, en een belastingbrief, want die vergeten je nooit. Hij had gedacht aan de wet die hem verbiedt de definitieve handeling te stellen. En aan de alternatieven.


De MUG oproepen, via Spoed naar de beademing. En dan? Hij was geschrokken toen hij haar zag. Ze sprak niet meer. Ze gierde. Haar ogen zou hij nooit vergeten. Hij kan niet verzinnen wat die ogen zeiden. Maar hij wist, deze vrouw ziet eindeloos af. Ooit hadden ze het er over gehad, bij een kopje thee na de laatste visite van die dag, hoe ze een dosis arsenicum zou innemen. "Zoals in de weduwe Besson in de roman van Simenon." Ze hadden gelachen. Allez Jeanine. Tuttut, had ze gezegd. "Maar dan zal ik uit mijn mond stinken," zei ze. Want arsenicum ruikt naar geplette look. Dus die methode zou ze niet kiezen. En ze keek uit het raam hoe het donker werd. Nu keek ze los door hem heen. Hij berekende hoeveel dormicum en morfine nodig was. De dochter was ondertussen aangekomen. Hij wist dat hij niet te weinig mocht geven want dat zou haar lijden verlengen en tweemaal prikken kon hij niet aan. Maar ook niet zoveel dat ze pats boem omviel. Het einde moest waardig zijn, wist hij. "Ik ga uw moeder rustig laten worden," had hij gezegd, "maar er is kans dat uw moeder overlijdt." Ze had geknikt dat ze het begreep. Hij had nog een kwartier gewacht. Haar mond schoongemaakt. Haar lippen bevochtigd. De nodige ampullen klaar gelegd, netjes op een rijtje. De geur van ontsmettingsmiddel. Het gedempte licht. Hij had haar gezegd hoe laat het was. Dat het buiten fris was. Geen weer voor een avondwandeling. En hoe gezellig warm het in haar appartement was. Hij had de verse boenwas geroken. De verbrande geur van de Turkse koffie die de werkster voor zichzelf gemaakt had. Ze was hem blijven aankijken. En toe had hij de beslissing genomen. Het gieren had nog een paar minuten aangehouden. Dan ging ze rusten. Ze sloot haar ogen. Het was stil. Haar gezicht ontspande. Haar wangen vielen in. Hij had de papieren ingevuld. Hij had de dochter uitgelegd dat wat hij gedaan had geen euthanasie was. Ze had gezegd dat het goed was. Toen was ze de keuken gaan opruimen.


En nu zat hij hier. In het gele licht. Eén glas. Hij moest nog rijden. Maar eerst moest hij dit verhaal kwijt. Zijn bijdrage. Anoniem, zoals het gegaan was.


Marc van Impe

Bron: MediQuality

09:05 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

Post een commentaar