24 maart 2017

Alleen op de wereld


 
De geleerde vrouw is weggegaan . Nu heb ik het rijk voor mij alleen. Vrijheid, blijheid. Ik laat mijn jasje op de stoel hangen. Niemand die wat zegt. Ik laat een heet bad lopen mét badschuim. Geen commentaar. Ik neem straks de lift en ga een glas drinken in de brasserie.


Niemand die vraagt hoe lang je wegblijft. Maar eerst bedenken wat ik ga doen. Ik laat de kranten liggen waar ze dood zijn gegaan. Opruimen doe ik wel als ik er zin in heb. Eerst iets verzinnen. Nooit gedacht dat dit zo moeilijk zou zijn. Iets verzinnen wat je wil doen wat je anders niet doet omdat je weet dat je daarmee een discussie uitlokt die je toch nooit winnen kunt. Zoals een oude CD van Dylan opzetten. Dat doet me er aan denken dat een stapel CD's zomaar de muziekkast zijn in gepleurd en daar sinds de dag dat we hier in trokken, wachten om geklasseerd te worden. Dat zou ik nu kunnen doen maar dat voelt te veel als een huiselijke taak. Ga ik dus uitstellen. Hetzelfde met boeken in het gelid zetten. Nee, eerst iemand bellen. Nu ik weer alleen ben, bel ik wanneer ik dat wil en maak ik afspraken met wie ik wil en waar ik wil. Alleen valt het tegen om zo direct iemand te verzinnen die ik nu zou willen spreken.


Het valt niet mee om in je eentje een glas te drinken op zo'n namiddag. Je kijkt uit op het water en dan heb je het wel gehad. Zeker met het weer van vandaag. Het heeft ook geen zin om bij dit ontij ergens heen te gaan. Er mailt een oude vriendin. Ze is net over uit diplomatieke dienst uit Afrika. Een borrel? Koffie? Ze zit wel aan de andere kant van het land. Dat wordt dus over een maandje of drie. Een vergadering bij de DG Santé, daarna een glas met collega's. En toch vroeger naar huis dan anders. Want er is zoveel dat je nu kan doen.


Mijn vriend zegt dat ik geluk heb: zo lang alleen. De geleerde vrouw heeft zichzelf weggevlogen. Ik besef ineens dat de helft van mijn leven ontbreekt. Haar bijdrage aan ons dagelijks leven is nu onzichtbaar en toch zo evident geworden.


Ik begin met het herschikken van de bibliotheek en blijf gelijk hangen bij oud boekje over dialectiek en geschiedenis. Zo ga ik op de grond zitten met Georg Hegel. Deze Tübinger wilde de filosofie weer met beide benen op de grond zetten. Om te beginnen vergeleek Hegel vrouwen met planten. "Het verschil tussen man en vrouw is als tussen een dier en een plant," schreef deze proto-socialist. "Het dier komt meer met het karakter van de man overeen, de plant meer met dat van de vrouw, omdat haar ontwikkeling meer uit een kalme ontplooiing bestaat, die gebaseerd is op een onbepaald geheel van gevoelens.


Als vrouwen aan het hoofd van een regering staan, is het land in gevaar, omdat ze niet volgens de algemeen geldende eisen handelen, maar volgens toevallige neigingen en opinies. Er treedt ook bij vrouwen een vorming op – men weet niet hoe – doordat ze als het ware voorstellingen inademen, meer door het leven dan doordat ze kennis verwerven.


De man daarentegen bereikt zijn positie enkel en alleen door zich meester te maken van ideeën en door grote technische inspanningen." Het doet me denken aan een zin die ik vorig weekend las: "Ik ga er standaard vanuit dat mijn collega's onzin bedrijven." Met deze gedachte open ik een flesje Acantus. 's Avonds lees ik bij een andere filosoof dat Hegel vermoedelijk een incestueuze relatie met zijn zusje Christiane Louisa had. Ze werd in 1820 na een zenuwinzinking op vraag van haar broer voor een jaar in een "gekkenhuis" geplaatst. Daar is ze haar relatie met Hegel nooit bovenop gekomen. Drie maanden na Hegels dood pleegde ze zelfmoord door middel van verdrinking. Een mens moet vaker zijn bibliotheek herschikken, maar zo schiet het natuurlijk nooit op.


Nog even, en ze komt weer thuis. Nu kan het nog, die drie glazen bedoel ik.


Marc van Impe

Bron: MediQuality

08:30 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

Post een commentaar