29 december 2016

Nieuwjaarsbrief: het is nog niet donker

Het is 28 december, dag van de onnozele kinderen en ik rijd naar D. en ga mijn moeder bezoeken. Ik ga niet naar huis. Sinds mijn vader overleden is, is het huis waar wij met negenen en aanhang opgroeiden, verbouwd en ontzield. Toch blijft de herinnering. Telkens ik het stadje D. nader, of het nu vanuit het oosten of het noorden is, flakkert de meest krachtige van alle herinneringen op. Thuis. Het is niet teveel van de liefde die wij bij de deur van de dood betreuren, het is overtollige van de ernst, schrijft mijn News Yorkse collega Job Cohen. Als we elke dag als de laatste dag van ons leven zouden leven, zou het enige dilemma zijn hoe de tijd te vinden om die liefde aan genoeg mensen door te geven. We leven verstrooid en sterven met teveel kennis in ons hoofd.

December is voorbij, 2016 was een afschuwelijk jaar. Ik ben blij dat het voorbij is. Het was een jaar waarin de mensheid zich in zijn kwaadste vorm getoond heeft. Ik zie een beeld van dokter Bashar Hafiz al-Assad en bedenk dat in elke mens, hoe hoog opgeleid hij ook is, een razend beest schuilt.


2016 was ook een jaar van liefde en vriendschap. Ik zit zes hoog in mijn cocon met de geliefde van mijn leven, een na een komen de kinderen en hun vrienden van wie ik hou van langs. Ik denk aan mijn vriend uit mijn kindertijd, de huisarts die net als ik wild is van Dylan en die gepakt werd door een herseninfarct, wat me brengt bij de kwetsbaarheid van het leven. Ik zie mijn kleinste kleindochters en zie de delicate schoonheid van de jeugd.


De voorbije zomer zat ik op een terras met een andere vriend en discussieerden we over onsterfelijkheid. Hij bereidt zich alvast voor. Hij sleurt op zijn vluchten van en naar Silicon Valley, hele dozen vitaminen en supplementen mee want hij wil alvast 2030 bereiken. Tegen dan ben ik tachtig, hij zestig. Ik moet bekennen dat die onsterfelijkheid me voor geen klap interesseert. Onsterfelijkheid komt me voor als een eeuwigdurende dag op een Caribisch strand. De zon blakert. De zee is blauw. Het zand is wit. Er valt niets, maar dan ook niets te doen. Er is geen ontsnappen aan, er is geen perspectief, geen vrijheid. Ik heb de dag én de nacht nodig, ik hou van de dageraad zoals die zich boven de stad op gang trekt. Ik kijk vanuit mijn woonkamer op de toekomst. Vanuit mijn werkkamer zie ik de avond vallen. Ik hou van de contrasten, de schaduwen die zich verleggen, ik voel mijn lusten en lasten zich naargelang het ritme van de dag verplaatsen. Daarom is de dood nuttig: hij geeft perspectief aan het dagelijkse bestaan. De dood maakt de liefde dringend, geeft schittering aan het leven. Grenzeloos leven is verveling zonder uitkomst.


Maar zoals de Nobelprijswinnaar schreef:


Shadows are falling and I been here all day, It's too hot to sleep and time is running away
Feel like my soul has turned into steel, I've still got the scars that the sun didn't let me heal

There's not even room enough to be anywhere, It's not dark yet, but it's getting there
Well my sense of humanity is going down the drain, Behind every beautiful thing, there's been some kind of pain


Bob Dylan parafraseerde Ecclesiastes die schreef dat er een tijd is om geboren te worden, en een tijd om te sterven; een tijd om te planten, en een tijd om te plukken van wat werd geplant. Er bestaat geen innerlijke vrede zonder aanvaarding van deze cyclus — het heldere groen van het eerste blad van de lente brengt onvermijdelijk de broze bruine bladeren van de herfst. Het voorbije jaar was een hoogseizoen voor de handelaren van de dood. Er vielen in 2016 tal van fysieke en politieke doden. Dat maakte me soms woedend. Ook omdat in mijn vak de waan van de dag overheerst. Ik ga dan razen zoals die andere Dylan Thomas: "Rage, rage against the dying of the light." Tot de geleerde vrouw me streng toespreekt en ik besluit een fles wijn open te trekken en bij het sterven van het licht een goed boek uit de kast te nemen dat soelaas brengt. Zoals een van de Essays van Montaigne die schreef dat hij hoopte te sterven terwijl hij in zijn tuintje savooien aan het planten was.


Ik denk dan aan mijn vader. Ik ben mijn vader al tien jaar kwijt nu, had nooit gedacht dat moeder zo oud zou worden. Ze haalt de 93 volgende zomer. Mijn vader had altijd gedacht dat het omgekeerd zou gaan. Het liep niet zoals hij gewenst had. Hij moest zelfs geen savooien meer planten. Soms, in de file, praat ik met hem. Ik hoor zijn stem. Geef niet toe, zegt hij. Geef niet op. Hij fluistert, troost me soms, kan soms behoorlijk zeuren. Maar altijd, steeds opnieuw spoort hij me aan om toch maar lief te zijn, want dat was hij niet altijd. En dan denk ik weer aan de volgende dag. En ik hoor dan Bob Dylan weer:


I followed the river and I got to the sea, I've been down to the bottom of a whirlpool of lies


I ain't lookin' for nothin' in anyone's eyes, Sometimes my burden is more than I can bear


It's not dark yet, but it's getting there, I was born here and I'll die here, against my will


I know it looks like I'm movin' but I'm standin' still.


Het is nog niet donker, de dagen worden weer langer. Er is nog hoop.


Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

11:44 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

Post een commentaar