02 mei 2016

Een poesje maakt een mens gelukkig

Mijn vriend houdt al een paar maanden een mentale spreidstand aan en het ziet er stilaan naar uit dat hij om gaat vallen. Het begon, zegt hij, toen hij zich realiseerde dat zijn leven statistisch gezien voor meer dan de helft voorbij is. Hij die altijd binnen de krijtlijnen van het goed fatsoen gelopen heeft – ik heb me altijd ingebeeld dat hij keurig met de handen boven het laken slaapt-, besloot dat de tijd voor iets anders aangebroken was. Hij bedacht dat hij best een vriendin, een buitenmeisje, mocht hebben.

Dat zou spanning brengen in zijn toch niet zo saaie bestaan dat zich afspeelt tussen praktijk, huisgezin en buitenverblijf mét tenniscourt. Dat buitenmeisje vond hij via Tinder. Sindsdien is hij van die app niet weg te slaan. Ander en beter, is zijn motto geworden. Eén vriendin is geen vriendin, het moesten er meerdere zijn. Sindsdien gaat hij ten onder aan de stress, geen tijd meer voor niets, heeft hij besloten vier vijfde te gaan werken en één dag per week op jacht te gaan. En tot overmaat van ramp wil hij, die amper in evenwicht blijft op een fiets, een motor kopen.

Wat te doen? Neem geen maîtresse maar neem een kat, adviseer ik hem. België telt 2.194.000 katten. Veel meer dus dan er maîtresses zijn. Poezen zijn veel aardiger dan buitenmeisjes. Aai een poes en je hoort gespin. Aai een buitenmeisje en je hoort: "Weet je waar ik zin in heb?" Aaien is dus oneindig veel prettiger, het relaxeert je trouwens. Terwijl je in het andere geval riskeert opgewonden te raken. De bioloog Midas Dekkers zei het al: niet de mens, maar de poes is Gods meesterwerk. Een poes staat symbool voor alles wat vrouwelijk is, zegt hij.


Dekkers beschrijft hoe hij 'het ultieme gedachtenexperiment' deed om het verschil tussen een hond en een poes duidelijk te maken. "Ik stelde me voor dat ik thuiskwam en dat de deur werd opengedaan door mijn poes, die mij vervolgens in mensentaal zou verwelkomen. Welke taal zou dat zijn? Ik heb daar heel lang over nagedacht. Voor mij staat het vast dat een poes Frans zou spreken: 'Entrez, patron. Asseyez-vous sur le canapé. Voulez-vous un frou-frou?' En als een poes kleertjes aan zou hebben, dan denk ik aan jarretelletjes en satijnen sokjes. Maar wat als de deur, godverhoede, door een hond zou worden opengedaan? Die spreekt natuurlijk Duits! Lederhosen, mevrouw! Ein Hut mit drei Ecken. En een trenchcoat: 'Hierein! Wieder zu spät! Setzen sie sich!'


Het zijn natuurlijk vooroordelen, zegt Dekkers, "maar het is opmerkelijk hoe goed die vooroordelen passen. Het toverwoord hier is verleiding. Een poes is een verleidster. Als je op zoek bent naar een trouwe echtgenoot, dan moet je een hond nemen. Iemand die een poes neemt, heeft een maîtresse."


Ik denk dat de liefde voor een maîtresse eigenliefde is. "Hoe anders is de relatie met een poes. Het blijft altijd spannend. Nooit krijgt een mens van een kat het bevrijdende 'ik hou ook van jou' te horen, lezen we in het verhaal 'Felis enigmatica' in Poot & poes. En," stelt Dekkers, "juist daardoor gaat de gemiddelde poes langer mee dan de gemiddelde liefde. Met een vraagteken valt beter te leven dan met een punt. Maar dan wel het heerlijkste vraagteken dat er is: eerst de staart als een goddelijke krul en dan, als punt eronder, dat pronte wonderkontje."


Ik ben een ervaringsdeskundige en heb geleerd juist te kiezen. Buitenmeisjes zijn veeleisend, slopend. Katten willen niets. Als je lief voor ze bent dan zullen ze zich graag laten aaien en knuffelen. Maar als je daar even geen zin in hebt dan vermaken ze zichzelf wel. Tezelfdertijd zijn ze mysterieus, en dubbelhartig. Jacques Derrida ging in zijn essay "A poil devant un chat" zelfs zo ver te beweren dat we katten zo graag zien omdat katten volkomen schijt hebben aan de wereld en op ons neerkijken. Hij beschrijft zo treffend la malséance qu'il peut y avoir à se trouver nu, le sexe exposé, à poil devant un chat qui vous regarde sans bouger, juste pour voir.
Katten zijn in principe solitaire dieren. Ze hechten minder belang aan onderlinge communicatie en vermijden die zelfs. Een kat vraagt ook geen cadeautjes, dure etentjes of een nieuwe jurk. Ze is doltevreden met brokken, water, een mand en wat liefde. Ze willen ook niet dat je ze uitneemt. Katten zijn liever lui dan moe, en zijn dan ook dolgelukkig met een mand in een warme kamer.


Mensen met katten zijn ook veel gelukkiger dan mensen zonder katten. Want katten voorkomen depressie en stress. Een studie heeft aangetoond dat over een periode van tien jaar kattenbaasjes 30% minder kans hadden om dood te gaan aan een hartaanval dan mensen zonder kat. Een Brits onderzoek toonde bovendien aan dat mensen met een kat over het algemeen slimmer zijn dan mensen met een hond.

Katten zijn kalmerend, en het zorgen voor een kat kan je afleiden van minder prettige gedachten. Bovendien zal een kat altijd van je blijven houden. Mijn vriend die ondanks zijn pas ontdekt libertinisme, leeft in een wereld die gedomineerd wordt door surveillance en controle, die zichzelf sinds hij op de schoolbanken zat in een keurslijf gedwongen heeft, die heeft nu dus nood aan een kat. "Katten zijn sereen zoals je zelf zou willen zijn. Katten hebben overal lak aan. Dat is een eigenschap die jij bewondert. Zo zou je eigenlijk willen leven. Ga voor het poesje."


Hij belt het asiel.


Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

09:22 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.