22 juni 2014

Leve de penalty!

VILVOORDE 20/06 - In het leven balanceer je op de scherpe rand tussen een meneer met een deftige mening en een volslagen idioot, lees ik schuin over de schouder van mijn buurman in de Ierse pub. Over een uur moeten de Belgen aantreden en de experts voeren het hoge woord. Als het over voetbal gaat voel ik me redelijk idioot. Ik ben niet zo’n ballenvent. Ik luister en ik kijk en beperk me tot het klassieke geouwehoer. Daarmee blijk ik niet af te wijken van de doorsnee commentator op TV. Maar als er een penalty moet geschoten worden, dan ben ik er bij.

Dat komt zo: van 24 tot 27 mei 2000 werd in Kuala Lumpur het tweede Asian Congress on Science and Football gehouden. Ik werkte op dat moment voor een Finse internetuitgever en kreeg de opdracht om dit congres virtueel te volgen. Daar leerde ik op een nacht dat penalty een zogenaamd klassiek mind game is. Het prachtige aan Engels is dat zowat alles een dubbele betekenis heeft. Mind game staat dus niet alleen voor hersenbreker maar in deze staat game ook voor gokken, en mind voor observeren.

Het mind game van de penalty leerde ik, begint wanneer de ref bepaalt vanwaar hij geschoten moet worden. Vanaf dat moment spelen verschillende factoren een rol: anticipatie, sterke zenuwen, een koel hoofd, vastbeslotenheid, een ideale cocktail voor een zeer intens drama. Zal de doelman de schutter doorhebben? Zal de schutter net onder de lat schieten? Leidt de schutter de doelman om de tuin? In Kuala Lumpur werd men duidelijk dat de wetenschap ons in deze ter hulp komt.

Uit observaties blijkt dat in een fractie van een seconde, net voor de schutter het verlossende schot lost, de stand van zijn heupen de vlucht van de bal verraadt. Ik citeer in deze Mark Williams, head of science and football aan de Liverpool John Moores University die stelt dat "als de heupen van een rechtsvoetige penaltyschutter in carré staan tegenover de doelman, dan zal de bal naar alle waarschijnlijkheid rechts van de doelman gaan. Als zijn heupen daarentegen meer ‘open' staan, dan gaat het schot naar links."

En uit onderzoek van sportwetenschappers A. M. Williams en L. Burwitz (zie Links/Bestanden) bleek dat ook de aanlooprichting en de oriëntatie van de voet waarmee niet geschoten wordt, verraadt welke richting de bal geknald wordt. lan Franks en Todd Harvey van de University of British Columbia analyseerden 138 penalties uit de World Cup competities van 1982 tot 1994 en bevestigen deze stelling want in 80% van de gevallen wees de voet waarmee niet geschoten werd de schietrichting aan.

De Belgen verloren hun penalty, zoals u zelf kon zien. Ik liet een en ander achteloos vallen na de pauze van de eerste helft van de match België-Algerije. Ik kan u verzekeren dat je met dit soort toegepaste wetenschap indruk maakt. De aangeboden Guinness smaakte des te beter.

Marc Van Impe

 

WALKER, I. (2001) Read my hips - or how to win the shoot-out mind game. Peak Performance, 144, p. 9-10

WILLIAMS, A.M. and BURWITZ, L. (1993) Advance cue utilisation in soccer. In: REILLY et al. (eds) Science and Football II, London: E & F.N. Spon, p. 239-244

 

Bron: MediQuality

13:04 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)

21 juni 2014

Weg met de BMI

LOUVAIN-LA-NEUVE 16/06 - Uit recente cijfers die The Lancet publiceerde, blijkt dat vandaag 2,1 miljard mensen kampen met overgewicht. Dat is zowat een derde van de wereldbevolking. Obesitas of zwaarlijvigheid treft in ons land 58 procent van de mannen en 47 procent van de vrouwen. Het criterium dat daarvoor gebruikt wordt is de BMI. Een BMI-waarde boven de 27 betekent overgewicht. Boven de 30 betekent: obesitas. En daar hangt volgens gezondheidseconoom Lieven Annemans een kostenplaatje van 3,6 miljard euro aan vast. Schokkend.

Maar hou u vast voor de volgende schok. Volgens de Amerikaanse cardioloog Carl Lavie, professor in New Orleans, kunnen we het hele BMI-dogma maar beter zo snel mogelijk vergeten. Zijn bevindingen worden bevestigd door Katherine Flegal van de CDC die 25 jaar studie deed naar de effectiviteit van BMI-controle.

De Body Mass Index werd in 1832 gedefinieerd door de Gentse wiskundige, statisticus en astronoom Lambert Adolphe Jacques Quetelet, die in zijn boek "Sur l'homme et le développement de ses facultés", of "Essai de physique sociale", gepubliceerd in 1835, probeerde  "l'homme moyen" te definiëren, aan de hand van de gemiddelde waarden van alle gemeten variabelen die aan menselijk gedrag ten grondslag liggen. Quetelet, die ook een van de stichters van de ULB was,  was met andere woorden helemaal niet geïnteresseerd in een gezondheidsideaal. De BMI is oorspronkelijk dus opgezet om statistieken over groepen mensen te krijgen en niet om over- of ondergewicht van individuele mensen te bepalen. Tot in 1940 de Amerikaanse levensverzekeringsmaatschappijen de BMI voor het eerst hanteerden als een gemakkelijke kansberekening op overlijden. In 1985 aanvaardden de Amerikaanse National Institutes of Health de BMI als criterium om obesitas te bepalen. Pas in 1995 volgde de WHO. In 1998 werd de ideale BMI door de NHI verlaagd van 30 naar 27. Vandaag spreken BMI-zeloten bij een index van 25 reeds over (licht) overgewicht.

In 2002 stelde cardioloog Carl Lavie vast dat obese patiënten die hij behandelde voor hartfalen langer leefden dan slanke patiënten. Lavie dook in de literatuur en deed daar ruim 10 jaar over.  Tot hij in 2012 een Zweedse studie vond, gebaseerd op 64.000 patiënten met een hartziekte, waaruit bleek dat de obese groep  driemaal minder kans maakten op voortijdig overlijden (European Heart Journal, vol 34, p 345). En uit een studie van Northwestern University op 2625 patiënten met diabetes type 2 bleek dat slanke patiënten tweemaal meer kans maakten op voortijdig overlijden dan patiënten met overgewicht.

Dezelfde resultaten doken op bij onderzoek naar de relatie tussen obesitas en reumatoïde artritis en nierfalen. De voedingsdeskundigen spraken er schande van. Maar uit de meta-analyse van KaterineFlegal op 2.88 miljoen patiënten, in opdracht van de CDC, bleek dat overgewicht of milde obesitas een beter gezondheidsperspectief bood dan ondergewicht of extreme obesitas. De relatie tussen gezondheid en gewicht toonde grafisch gezien een U-vorm en geen lineaire stijging. Er bestaat dus een grote groep van gezonde "obese" patiënten, wiens BMI zich tussen de 25 en 35 situeert.

Lavie: " Voor iemand met een BMI tussen de 18.5 en 35 is fysieke fitness belangrijker dan gewichtsverlies." (The New Scientist vol 222 #2967 p 47)Volgens hem is de BMI standard voor oudere patiënten ronduit gevaarlijk. Een meting van het vetpercentage is een betere aanduiding voor gezondheidsrisico's, maar deze meting is moeilijker uit te voeren en bovendien zullen ook de richtlijnen en adviezen steeds naar sekse en leeftijd moeten worden uitgesplitst. Belgische gezondheidsexperts hebben daar in elk geval geen oren naar. Voor hen blijft de BMI de beste Belgische uitvinding ooit.

Marc van Impe

Bron: MediQuality

12:55 Gepost door Marc van Impe | Permalink | Commentaren (0)